Birma is een paradijs voor ritselaars

RANGOON, 1 APRIL. Waar zijn ze gebleven: de landen waar je bij de heenreis dollars in je sokken stopte om de wisselcontrole te ontduiken, waar je goederen mee naar toenam voor de ruilhandel, waar louche douanebeambtes in stoffige ruimtes hun 'rechtmatige' steekpenningen opeisten. In Oost-Europa is aan dat opwindende smokkel- en wisselspel een einde gekomen en in de meeste Aziatische landen ook. Maar er is in elk geval nog één uitzondering: Myanmar, beter bekend als Birma, een land dat door dertig jaar van splendid isolation veranderde in een paradijs voor zwarthandelaren.

“Wisselen, wisselen? Iets te handelen, sigaretten, whisky?”, met die vragen overvallen hordes hitsige mannen in lange rokken elke reiziger bij aankomst op het vliegveld van Rangoon. De ritselaars kunnen tevens vervoer regelen, rondreizen verzorgen, restaurants aanbevelen en wat dies meer zij. Ook bij de toegang tot de hotels dringen de handelaren zich op, met hetzelfde liedboek van aanbiedingen.

De Birmese zwarte markt heeft zich in enkele jaren tijds ontwikkeld tot een bloeiende bedrijfstak, die door de militairen wordt getolereerd zolang ze zelf er ook de vruchten van plukken. Het bewind profiteert om te beginnen van de kunstmatig hoge officiële wisselkoers van de kyat (spreek uit: tsjat).

Terwijl één dollar bij de staatsbank 6 kyat oplevert, betalen zwarthandelaren grif het twintigvoudige. De Birmese overheid verplicht buitenlandse bezoekers minimaal 200 Amerikaanse dollar legaal te wisselen. Daarvoor krijgt men geen kyat terug, maar Foreign Exchange Certificates (FEC), op monopolie-geld lijkende briefjes in coupures van 1, 5 en 10 met dezelfde waarde als de dollar. Op deze manier haalt het regime per bezoeker een bedrag binnen dat gelijk staat aan het jaarinkomen per hoofd van de Birmese bevolking. De FEC's kunnen gebruikt worden als betaalmiddel, maar voordeliger is het om ze weer verder te wisselen, de zwarte koers is 80 kyat.

De absurditeit van de officiële koers laat zich het beste illusteren aan de hand van een voorbeeld. Een diner voor een persoon kost in een gemiddeld restaurant 500 kyat. Legaal gewisseld zou dat neerkomen op ongeveer 200 gulden. Teruggebracht tot de straatwaarde is dat nog maar 10 gulden.

Tot voor kort hanteerde de Birmese overheid een stevige controle op de wisseltransacties via een verplicht in te vullen valuta-formulier, zoals die vroeger ook in Oost-Europa bestonden. Het formulier bestaat nog, maar de autoriteiten nemen niet meer de moeite ze te inspecteren. De militairen zijn tot het inzicht gekomen dat strikte naleving van de wisselplicht een averechtse werking had: het jaagde de weinige bezoekers uit het buitenland na enkele dagen al weer weg.

Het bewind is nu tevreden met de 200 dollar die per buitenlander in de staatsruif verdwijnt en rekent erop dat de zwart gewisselde dollars eveneens in het land blijven. Er is vrijwel niemand meer in Birma die officieel wisselt; de kassier van de Myanmar Foreign Trade Bank geeft vanachter zijn loketje zelf het advies op straat te wisselen. Het wisselen gebeurt in auto's, achterafsteegjes en restaurants, want gerust zijn de handelaren er niet op. Spionnen zijn talrijk in Birma en het onberekenbare regime kan ineens besluiten de controle te verscherpen.

Bezoekers die het zwart wisselen desondanks niet aandurven en toch de hoge koers van de kyat willen ontduiken kunnen zich verlaten op de legale handel. In het standaardpakket van de Birma-reiziger zitten enige flessen whisky (bij voorkeur Johnny Walker) en sloffen sigaretten (bij voorkeur van het merk '555'), goederen die grif van de hand gaan voor een veelvoud van de aangeschafprijs.

Intussen roemt de Birmese junta - die sedert 1988 regeert onder de Engelse naam SLORC: State Law and Order Restoration Council - zichzelf om de economische vooruitgang van Birma. Vorig jaar groeide het bruto nationaal produkt volgens een officiële opgave met 10,9 procent; waarnemers menen dat dit cijfer te optimistisch is en achten vijf procent dichter bij de waarheid. In de hoofdstad Rangoon is een opleving van de economische activiteit (meer autoverkeer, een toename van importgoederen) duidelijk waarneembaar, maar het is onduidelijk hoe lang dat zal duren.

De economische koers van de SLORC vormt niettemin een scherpe breuk met het verleden. Tweeëndertig jaar geleden besloot het leger na een staatsgreep de 'Birmese weg naar het socialisme' in te slaan, zo luidde destijds de officiële aanduiding van de economische koers, die bestond uit een zeer sterke rol van de staat, de eliminatie van elke buitenlandse betrokkenheid bij 's lands industrie en opheffing van het marktmechanisme. Birma behoorde op dat moment dank zij de grote natuurlijke rijkdommen, nog tot een van de meest welvarende landen van de regio.

De junta, onder leiding van de mysterieuze generaal Ne Win, wist lange tijd in haar autarkische koers te volharden. Begin jaren zeventig deden zich niettemin de eerste tekenen van verval voor. Vanaf 1972 leunde het land sterk op buitenlandse hulp, vooral van Japan, de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank.

In de tweede helft van de jaren tachtig liep de economie volledig vast en moest Ne Win erkennen dat zich in het management “fouten en gebreken” hadden voorgedaan. Een duidelijke aanleiding daarvoor bestond niet - hoewel door slechte weersomstandigheden een aantal oogsten was tegengevallen. Het leek er meer op dat het krakkemikkige bestel een punt had bereikt waarop een implosie onvermijdelijk was. Een neerwaartse spiraal bereikte de bodem.

De regering besloot hierop eind 1987/begin 1988 de markt te herintroduceren en het monopolie op de export van een aantal produkten teniet te doen, in de hoop dat het de boeren zou stimuleren tot een betere produktie. Om de groeiende zwarte markt aan te pakken werden in maart '88 de bankbiljetten van 25, 35 en 75 kyat van de ene op de andere dag ongeldig verklaard, waardoor veel burgers sterk werden benadeeld. Dit laatste vormde de directe aanleiding voor een grotendeels vreedzame volkopstand waarin de Birmezen jaren van opgekropte woede over het militaire bewind tot uitdrukking brachten. Tevergeefs, in september 1988 maakte het leger op hardhandige wijze, ten koste van enige duizenden doden, een einde aan het oproer.

De politieke onderdrukking was daarna nog erger dan voorheen, maar de SLORC zette de ingezette hervorming van de vastgelopen socialistische planeconomie voort. De SLORC - Ne Win trad in 1988 af als partijleider, maar bleef vanuit zijn huis grote invloed uitoefenen - kampte met een erfenis die behalve door de bureaucratisch-socialistische principes ook door het curieuze bijgeloof van Ne Win en de zijnen was bepaald.

Ne Win is een 'aanhanger' van yedaya-che, een tradititoneel Birmees geloof in de macht van getallen en de stand van de sterren. Het getal negen speelt daarbij een centrale rol. Beslissingen liet het Birmese leiderschap jarenlang afhangen van het vóórkomen van een negen in de dag of cijferreeks. Zo werden de drie ongeldig verklaarde bankbiljetten in 1988 vervangen door de nieuwe 'ideale' coupures van 45 en 90, die zowel deelbaar zijn door negen als gesommeerd negen opleveren. Omdat de biljetten van 50 en 100 al eerder waren verdwenen bestaat het Birmese geldstelsel, dat verder nog briefjes van 1, 5, 10 en 200 10 kyat kent, uit een zeer onhandige combinatie.

Mysterieuze overwegingen waren in 1989 voor het bewind ook de reden om de naam van het land Birma te veranderen in Myanmar. Verscheidene steden, rivieren en etnische groepen kregen eveneens een nieuwe aanduiding, zo werd Rangoon veranderd in Yangon.

Ne Win is inmiddels 82 en lijkt zijn invloed enigszins te verliezen. Met Khin Nyunt, het voormalige hoofd van de binnenlandse veiligheidsdienst en Than Shwe, respectievelijk eerste secretaris en voorzitter van de SLORC, is een nieuwe generatie van vijftigers en zestigers aan de macht, die in politiek opzicht de deur even dicht houdt als haar voorgangers, maar op economisch terrein nog een stapje verder wil gaan.

Zo probeert Birma al geruime tijd het regionale isolement van zich af te schudden door toenadering tot de ASEAN, het economisch samenwerkingsverband van zes Zuidoostaziastische landen. In juli mag een Birmese delegatie voor het eerst deelnemen aan een overleg van de ASEAN. Het bewind rekent voorzichtig af met een aantal praktijken uit het Ne Win-tijdperk, om te beginnen het curieuze geldstelsel. Afgelopen zondag kwamen drie nieuwe bankbiljetten in omloop in de handzame coupures van 100, 50 en 20 kyat. Exit het bijgeloof van de negen.

Intussen tiert de corruptie welig. De gewone Birmezen evenals de bezoekers zijn links en rechts geld kwijt om hun zaken gedaan te krijgen. Bij mijn vertrek uit Birma loop ik tegen de lamp met een gekocht boeddha-beeldje. De mond van de douanier zegt dat het om Birmees antiek gaat, zijn ogen zeggen dat dat onzin is. “Dit mag U niet uitvoeren, eigenlijk, maar ik zal het voor deze keer door de vingers zien.” Achter een gordijn houdt de man zijn hand op voor zijn 'commissie'. Honderd dollar eist hij. “Ik heb geen dollars meer - nu lieg ik - nog wel Thaise bahts”. De beambte grist het briefje van 100 baht (8 gulden) uit mijn vingers. “Hoeveel is dat waard?” “Heel veel”, zeg ik. Volgens de officiële koers tenminste.

    • Lolke van der Heide