Bewondering

Ik wil, dacht het vuurvliegje op een avond, dat de zon ondergaat en dat de maan niet opkomt en dat de sterren verdwijnen achter dikke wolken en dat niemands ogen glinsteren of gloeien en dat het heel stil is en dat ik jarig ben en dat iedereen om mij heen zit en zijn adem inhoudt en dat niemand zich verroert, en dat ik dan opeens aanga...

Ze zouden allemaal “Oooo...” roepen, dacht hij, en hem bewonderen.

Eigenlijk, dacht hij, zou ik dat voor mijn verjaardag moeten vragen: bewondering. Want ze mogen ook iets anders bewonderen: mijn vleugels, mijn gedachten... maar mijn lichtje is natuurlijk wel het bijzonderst, dat bewonder ik zelf ook...

Hij was bijna jarig.

Hij pakte een stuk berkeschors en schreef:

voor mijn verjaardag.

Bewondering.

Het vuurvliegje.

anders wilde hij niet.

Hij dacht heel diep na, knipperde af en toe even met zijn lichtje en dacht dan weer verder. Maar hij stuurde zijn verlanglijst aan niemand. Want als het geen goede bewondering is, dacht hij, luide bewondering bijvoorbeeld, of van die hele zoete... Hu. Hij huiverde bij die gedachte.

En zo vierde hij zijn verjaardag alleen.

Het was heel donker, die avond, het regende ook, en pas laat op de avond ging het vuurvliegje rechtop zitten en deed zijn lichtje zo vurig mogelijk aan.

De vlierbessen, waartussen hij zat, glansden en het was alsof er een warme gloed om hem heen hing. Als een jas, dacht hij, als een fluwelen jas. Dat is het. Nu draag ik dus een fluwelen jas. Hij schudde zijn hoofd van bewondering voor zijn lichtje, dat mooier scheen dan ooit. Pas na lange tijd deed hij het weer uit. Hij rilde even. Maar ik heb het niet koud, dacht hij. Dat bestaat niet.

Toen viel hij in slaap.