'Als je batje breekt, is de partij voorbij'; Van rubber en lijm hebben tafeltennissers bijna een wetenschap gemaakt

BIRMINGHAM, 1 APRIL. Hij heeft ooit eens een competitie-wedstrijd gewonnen met een batje van een vriend. Daar is Trinko Keen, een van de Nederlanders die vandaag in Birmingham begint aan het individueel Europees kampioenschap tafeltennis, nog steeds trots op. Eigenlijk kan het niet. Als je batje breekt, is de partij voorbij.

“Ik heb wel een reserve-bat, maar dat is niet echt ingespeeld”, vertelt de 22-jarige Keen. Een bat is een houten plank met aan iedere kant een paar lagen rubber met wat lijm ertussen. Maar het bat is voor tafeltennissers veel belangrijker dan het racket voor tennissers. “Elk frame is anders”, legt Keen uit. “Door het lijmen, door het weer. Soms breekt het, komt er een klein scheurtje in het hout en gaat het meer trillen. Omdat je er voortdurend mee speelt, wen je er aan. Ik heb geen moeite met het wisselen van materiaal, maar moet het nieuwe bat wel eerst uitgebreid inspelen.”

De combinatie van frame, rubber en lijm bepaalt hoe hard de bal van het bat springt. Vooral van rubber en lijm hebben de spelers bijna een wetenschap gemaakt. “Ik had lang problemen met mijn rubbers”, zegt Keen. “Het is moeilijk te bepalen wat voor jou het beste is, want als je wat nieuws probeert gaat het altijd slecht. Je bent immers gewend aan het oude materiaal. Mijn sponsor heeft speciaal voor mij wat gemaakt. Net iets harder dan gebruikelijk.”

Lijmen gebeurt voor iedere partij opnieuw, in een soort bouwkeet die in de parkeergarage van de sporthal staat opgesteld. Lijmen dreigde verboden te worden door de internationale federatie, maar de spelers hebben uitstel weten te krijgen tot volgend jaar. Keen verwachtte gisteren, na de vergadering van de Club van Tafeltennis Professionals, dat het verbod er wel helemaal nooit zal komen en de topspelers deze strijd van de federatie gaan winnen.

Keen is professional. Toch staat hij slechts op de 63ste plaats van de wereldranglijst, 42 plaatsen achter de beste Nederlander Paul Haldan. Terwijl Bettine Vriesekoop en Mirjam Hooman-Kloppenburg tot de favorieten bij de vrouwen behoren, zal Keen het als een succes beschouwen als hij doordringt tot de laatste zestien van het EK.

“Nederland heeft geen tafeltenniscultuur”, zo verklaart hij de verschillen. “Bij ons is tafeltennis chaotisch georganiseerd. Er is geen internaat, geen centrum. De bond draait slecht en omdat de vrouwen steeds problemen maken, wordt dat er niet beter op. Ruzies jagen sponsors weg. Bettine had altijd sterkere mannen waar ze tegen kon trainen en spelen. Maar Nederlandse mannen missen ten opzichte van de buitenlandse toppers de simpele automatismen. Die buitenlanders hebben een veel bredere basis.”

Keen zocht daarom, net als alle Nederlandse toppers, zijn heil in het buitenland. Hij traint nu meestal bij zijn Duitse club Jüling, met onder andere de twee beste Chinezen van dit moment, Wenge Ma en Wang Tao, de nummers drie en vijf van de wereld. Hij trekt dit jaar bovendien een paar weken naar Japan, Korea en China om zich daar volledig op het spel te kunnen concentreren en zich mentaal te harden.

Automatismen zijn belangrijk, vertelt Keen in de immense National Indoor Arena in Birmingham, waar hij gisteren op een van de 25 trainingstafels in de kelder een uurtje zijn slagenrepertoire doornam met Danny Heister. Tafeltennis gaat zo snel dat succes verscholen ligt in het ontregelen van het spel van de tegenstander. Keen speelt bijvoorbeeld relatief goed tegen Aziatische opponenten. Hij versloeg in de beslissende degradatiewedstrijd van het landentoernooi de Chinees Ding Yi, die nu voor Oostenrijk uitkomt. “Ik werd speciaal tegen hem opgesteld”, zegt Keen. “Tien jaar geleden zou dat niet gekund hebben. Toen zou er gewoon iemand zijn opgeofferd.”

In de tijd dat de Chinezen en andere Aziaten oppermachtig waren, tot halverwege de jaren zeventig, dienden de Nederlandse talenten het spel van wereldkampioenen te imiteren: service-knal. Toen daarna de Zweden de macht overnamen, werd het Zweedse speltype het ideaal: de bal op de tafel houden, rustig ontvangen, een beetje schuiven en daarna pas het initiatief overnemen.

Keen kan Aziaten nu verslaan omdat hij zowel met zijn forehand als met zijn backhand het punt kan maken. Aziaten steunen vooral op hun sterke service en een verwoestende forehand. Een service en dan het punt afmaken. “Maar ik kan aan twee kanten het initiatief overnemen”, vertelt Keen. “Als ik hun service terug kan slaan, kan ik ze dol maken. Het tempo ligt zo hoog dat ze, als ze slaan, meteen moeten beslissen of ze de volgende slag om hun backhand heen kunnen lopen. Ze hebben geen tijd om af te wachten. Omdat ik tweezijdig door kan slaan, komen ze in grote problemen. Hun automatismen worden doorbroken.”

Tegen de Europese top heeft Keen meer problemen. Zeven van de tien beste mannen van de wereld zijn op dit moment Europeanen. (Bij de vrouwen bestaat de top-twintig uit louter Aziatische speelsters.) Bij de Europeanen domineert geen bepaald speltype meer. “De Fransman Gatien werd wereldkampioen zonder goede backhand. Het is net als met tennis. Je zou Wimbledon niet kunnen winnen vanaf de baseline, maar Agassi toonde aan dat het wel kan. Je kan verdedigen of aanvallen. Maar het spel waar je voor kiest, moet je wel perfect beheersen. Tafeltennis is de laatste jaren vooral sneller geworden”, zegt Keen. “En scherper. De rallies worden korter. Iedere hoge bal die je krijgt, probeer je meteen af te maken.”