Afstand

Alle signalen stonden op groen. Er was zon, er was speenkruid en er waren vogels. Weinig wind. Over het fietspad, dat kaarsrecht door de polder sneed, zwierde een onbezorgde groep scholieren.

“Mijn dochter”, zei de man. Hij noemde de plaats waar ze woonden en hij noemde de plaats waar het meisje op school was gegaan, hij suggereerde een geweldige afstand. Altijd op de fiets, altijd in haar eentje, elke dag dat hele eind door het kale land.

“Afschuwelijk”, zei de man. “Die wind, die regen, die sneeuw, die kou. Ik zeg: kindje, zeg ik, waarom ga je niet met de bus, je hoeft toch niet altijd maar op die fiets? Maar zij zegt: pa, zegt ze, ik vind het helemaal niet erg; als het moeilijk wordt ga ik gewoon hier zitten.”

De man wees op zijn borst. Dus dat had zijn dochter ook gedaan toen ze dat zei. Als het moeilijk werd ging ze in haar borst zitten. Dan gluurde ze tussen haar jas door naar de buitenwereld. Dan kon haar niks gebeuren.

“De poëzie van alledag”, zei ik.

De man knikte. Hij ging naar buiten zitten kijken. “En nog steeds”, zei hij na een tijdje. “Die maakt het zich nog steeds niet makkelijk. Maar ze redt het wel.”

En lammetjes. En een boer met molleklemmen. En de schaduw van hoogspanningsmast.

Hij keek mij aan en zei: “Het gaat al stukken beter hoor.”