Waarin klein groot is

Wanneer de jaarcijfers van Unilever iets lager uitvallen dan werd verwacht, is de Effectenbeurs in rep en roer. Als Fokker 1500 werknemers moet ontslaan, haalt dat de voorpagina's van de landelijke bladen. Maar wanneer de kapperszaak 'Kortwiek' in Bavel het hoofd niet boven water kan houden of de handelsonderneming 'Mercurius' in Brunssum zijn winst verdubbeld heeft, zijn het hoogstens de plaatselijke bladen die daar een paar regels aan wijden. Grote bedrijven trekken veel aandacht; de kleinere een stuk minder.

Bij 'groot' en 'klein' kunnen we ons allemaal wel iets voorstellen. Maar als het op een bruikbare afbakening aankomt, zijn er wat haken en ogen. Kleinere bedrijven, samen het midden- en kleinbedrijf (MKB) genoemd, worden vaak omschreven als de particuliere bedrijven met winstoogmerk, buiten de landbouw en de gezondheidszorg, met minder dan 100 werknemers. Reken je daartoe alle bedrijven die bij het Handelsregister van de Kamers van Koophandel zijn ingeschreven, dan zijn het er zo'n 656.000. Maar uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat daar erg veel slapende bedrijven bij zitten. Ze bestaan juridisch wel, maar voor produktie en werkgelegenheid hebben ze geen betekenis. En wat moet je doen met het AH-filiaal op de hoek? Hoort dat bij het MKB, of moeten we Ahold als één concern tellen? Wie de werkelijkheid in cijfertjes wil vangen, komt altijd weer dit soort praktische puzzeltjes tegen. In tabel 1 gaat het om bedrijven die zelfstandig hun gedrag in het economisch verkeer bepalen. Dus een filiaal dat zelf zijn prijzen en zijn assortiment mag vaststellen telt mee in het MKB. En het filiaal dat alles van hogerhand krijgt voorgeschreven wordt tot het concern gerekend.

De beperkte bekendheid van het MKB ligt zeker niet aan de voormannen van de werkgeversverenigingen die hun belangen behartigen. Dé man van de kleinere ondernemingen, vertegenwoordigd door het KNOV (Koninklijk Nederlands Ondernemersverbond) en haar verse fusiepartner NCOV (Nederlands Christelijk Ondernemers Verbond) is de heer J. Kamminga. Iets, maar toch niet veel minder in het nieuws dan zijn collega A. Rinnooy Kan, voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen. Het VNO behartigt de belangen van grote ondernemingen, samen met het Nederland Christelijk Werkgeversverbond (NCW), met de heer J. Blankert als voorzitter. De eerste profileert zich wat uitdrukkelijker in de media dan de laatste.

Het schema laat zien hoe KNOV en NCOV zijn ingebed in de Nederlandse overlegstructuur. In de linker kolom de centrale werknemersorganisaties FNV (1.087.000 leden), het CNV (325.000 leden) en de MHP (142.000 leden). De drie rechter kolommen zijn het MKB, het grootbedrijf en de land- en tuinbouw. Deze drie werkgeversorganisaties treffen elkaar in de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties (RCO). Werknemers- en werkgeversorganisaties ontmoeten elkaar als de sociale partners in de Stichting van de Arbeid waar zij overleggen over de arbeidsvoorwaarden. En in de Sociaal-Economische Raad (SER) komen ze elkaar tegen om samen met de onafhankelijke Kroonleden de regering van advies te dienen op sociaal en economisch terrein.

Het KNOV kent 90.000 aangesloten ondernemingen uit 85 branche-organisaties. In een branche-organisatie zitten ondernemers die vergelijkbare produkten of diensten aanbieden. Dat loopt van de Algemene Bond Uitzendbureaus tot en met de Vereniging voor Stations-Bloemenwinkeliers.

Maar behalve de branche-organisaties zijn er ook de 500 plaatselijke en regionale organisaties. Lopend van de Nieuwe Appingedammer Handelsvereniging tot en met de Ondernemersvereniging Maastricht. Sinds kort mogen we dus de 36 branche-organisaties met 40.000 leden van het NCOV hier nog eens bij tellen.

Volgens de omschrijving hierboven hoort 99 procent van onze bedrijven, zo'n 360.000 stuks, tot het MKB. Dit is op zichzelf al indrukwekkend, maar wat is de betekenis van al die middelgrote en kleine bedrijven voor de produktie en de werkgelegenheid? In 1993 werd 30 procent van de binnenlandse produktie verzorgd door het MKB, tegen 28 procent door het grootbedrijf. En van het totaal van ongeveer 5,5 miljoen banen vinden we er 2,3 miljoen (42 procent) bij bedrijven met minder dan 100 werknemers. Van de resterende 3,2 miljoen zijn 2 miljoen banen bij bedrijven met meer dan 500 werknemers.

Niet alleen wat het aantal banen betreft is het MKB belangrijk. Het blijkt de laatste jaren dat juist de kleine en middelgrote bedrijven de meeste nieuwe banen scheppen. Vooral mensen die een zelf een nieuw bedrijfje beginnen - de starters - spelen daarbij een grote rol.

    • Rolf Schöndorff