Teugelloze promiscuïteit als uiting van moederlijke zorg

Vrouwelijke Java-aapjes paren in hun vruchtbare periode met alle mannetjes uit de groep waarin ze leven. Voor de voortplanting onnodig, want jongen krijgen ze bijna alleen van de dominante topman. Hun bandeloosheid dient een ander doel: misleiding.

Gedragsbiologen hebben één ding gemeen met roddeljournalisten: een beroepsmatige interesse voor wie het met wie doet. Dr. Jan de Ruiter (1954) van de vakgroep Ethologie en Socio-ecologie van de Rijksuniversiteit Utrecht is wat dat betreft geen uitzondering. In het onderzoek naar Java-aapjes op Noord-Sumatra waarop hij vorige week promoveerde, ging hij zelfs een stap verder. Hij achterhaalde niet alleen welke mannetjes met welke wijfjes paarden, maar ook welke mannetjes er daarbij in slaagden vader te worden en welke niet.

De Ruiter: “Die informatie is onmisbaar wil je het sociale systeem van de aapjes doorgronden. In dat systeem hebben de beide seksen elk hun eigen voortplantingsstrategie, en om die te begrijpen moet je niet alleen het seksuele gedrag van de dieren kennen, maar ook het biologische succes daarvan in termen van nakomelingen.”

De Java-aapjes (wetenschappelijke soortsnaam Macaca fascicularis) worden door de Utrechtse gedragsbiologen al een kleine twintig jaar in het wild bestudeerd, vanuit een onderzoeksstation in Ketambe op Noord-Sumatra. De diertjes, die zo groot worden als flinke katten, leven in groepen van acht tot zestig individuen en voeden zich met vruchten en insekten. Elke groep bestrijkt een gebied van ongeveer 50 hectare. De soort voelt zich thuis in bosrijke omgeving, komt in Indonesië heel algemeen voor en is in de meeste biotopen niet bedreigd.

Groepen Java-apen kennen een hiërarchische sociale struktuur, waarbij één mannetje aan de top staat. Desondanks krijgen alle mannetjes gelegenheid om met ieder wijfje te paren, gedurende de lange periode (soms wel drie maanden) waarin de wijfjes aantrekkelijk zijn.

De Ruiter: “Sommige wijfjes paren veertig keer op een dag, met wel tien verschillende partners. Maar in de periode waarin de kans op bevruchting maximaal is, blijken ze toch vaker met het alfa-mannetje te paren. Je kunt dus verwachten dat het alfa-mannetje in de meeste gevallen vader zal zijn. Maar als dat inderdaad zo is, waarom paren de wijfjes dan ook nog met zo veel andere mannetjes? Ze zouden zich hun afmattende seksuele uitspattingen net zo goed kunnen besparen.”

Voordat De Ruiter licht kon werpen op deze vraag, moest hij eerst vaststellen of het alfa-mannetje in de voortplanting wel inderdaad het meeste succes heeft. Hij paart weliswaar vaker dan de lagere leden uit de groep in de tijd dat de wijfjes het aantrekkelijkst zijn, maar maakt hij daarom ook de meeste kinderen? Hiervoor was het genetische onderzoek vereist waarmee De Ruiter de familierelaties in drie groepen exact in kaart bracht. De uitkomst was, dat de alfa-mannetjes een nog groter aandeel (80%) hadden in de voortplanting van de groep dan op grond van hun paarfrequentie kon worden verwacht.

De Ruiter: “De conclusie is dat de wijfjes op het hoogtepunt van hun vruchtbaarheid, dus rond de eisprong, voornamelijk met het alfa-mannetje copuleren. Of zij dat moment bepalen dan wel het alfa-mannetje is niet bekend, maar in ieder geval is het gunstig voor ze, want zo verzekeren ze zich van nageslacht van een mannetje met bewezen kwaliteiten. Blijft over de vraag: waarom al die seks met andere mannetjes?”

Lekker

Paren vergt zoals bekend veel tijd en energie. Zolang de voortplanting ermee gebaat is, zijn die goed besteed. Maar zodra dit niet het geval is, moet er een ander nut aan verbonden zijn. De Ruiter: “Als mens denk je natuurlijk meteen: die Java-aap wijfjes doen het gewoon omdat ze het lekker vinden. Je mag ook zeker verwachten dat dit zo is, maar dan blijft de vraag waarom. Er moet een evolutionair voordeel aan vastzitten. Anders zouden soortgenoten met een doelgerichter seksueel gedrag meer nakomelingen krijgen en zouden ze al snel uit de populatie verdwijnen.”

De verklaring moet volgens De Ruiter worden gezocht in de bijzondere sociale struktuur waarin de Java-aapjes leven. De Ruiter: “Dat systeem heeft geleid tot belangentegenstellingen tussen de seksen, waardoor deze elk hun eigen voorplantingsstrategie hebben ontwikkeld. Mannetjes hebben er belang bij om zoveel mogelijk nakomelingen te verwekken. Het alfa-mannetje krijgt daar, dank zij zijn dominante positie in de groep, uitstekend de kans toe. Maar vroeg of laat, na verloop van een of twee jaar, moet hij het veld ruimen voor een nieuwe sterke man. En deze nieuwe alfa-man kan zijn bijdrage aan de volgende generatie groter maken door niet alleen nieuwe jongen te verwekken, maar ook de al bestaande jongen van het vorige alfa-mannetje te doden. Zulk gedrag zie je bijvoorbeeld bij leeuwen en sommige andere apesoorten, waar een nieuwe topman eerst schoon schip maakt door de zogende jongen van zijn voorganger dood te bijten.

“In onze populatie Java-apen is zulke infanticide ook een keer waargenomen, door een nieuw alfa-mannetje dat nog maar kort tevoren tot de groep was toegetreden. Kinderdoding door alfa-mannetjes die al langer in de groep leven komt niet of hooguit zelden voor, en de oorzaak van die lage frequentie zou hem wel eens juist kunnen zitten in die promiscuïteit van de wijfjes. De wijfjes hebben er aan de ene kant belang bij om jongen te krijgen van de sterkste mannetjes, de alfa's. Aan de andere kant is het in hun belang om hun jongen te beschermen tegen mogelijke agressie wanneer de machtsverhoudingen tussen de mannetjes zich wijzigen. Eén manier om dat te doen, is onzekerheid zaaien over het vaderschap. Wanneer een nieuw alfa-mannetje al seksuele omgang heeft gehad met een wijfje voordat hij in de groep is opgeklommen tot hoogste baas, bestaat de kans dat hij de vader is van haar jongen en mag je dus verwachten dat hij niet de neiging zal hebben om ze dood te bijten.”

De Ruiter, die met zijn onderzoek ook nog een aantal nieuwe populatiegenetische vragen bij de Sumatraanse Java-aapjes heeft onderzocht, verwacht in de toekomst nog veel heil van de DNA-vingerafdruktechniek voor zijn vakgebied. “Het is eigenlijk vreemd dat er in de gedragsbiologie en de ecologie niet al meer mee is gedaan. In de evolutie draait het ten slotte allemaal om voortplantingssucces, en om dat exact te kunnen meten heb je, zeker als het om mannetjes gaat, genetische tests absoluut nodig.”