Staaltje van politiek opportunisme; IRT past in rijtje visfraude, bouwfraude en paspoorten

Het Kamerdebat over het rapport-Wierenga naar aanleiding van het opheffen van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht is een week uitgesteld. Betekent dit een week respijt voor de vier hoofdrolspelers? Voor de Amsterdamse hoofdofficier van justitie Vrakking, die volgens de commissie-Wierenga “in enstige mate is tekortgeschoten”, of procureur-generaal Van Randwijck die “doortastend optreden” achterwege liet. Voor het hoofd justitiële bedrijfsvoering Van Riessen die “zeer onzorgvuldig handelde”, of hoofdcommissaris Nordholt bij wie eveneens gebrek aan “doortastend optreden” werd geconstateerd. Of betekent het uitstel een week onzekerheid voor de ministers Hirsch Ballin van justitie en Van Thijn van binnenlandse zaken?

Het feit dat alle betrokkenen bungelen, zegt veel over de situatie die het kabinet heeft laten ontstaan. Men wilde uit politieke opportuniteit een snelle en kordate reactie op de bevindingen van de commissie-Wierenga. Maar zoals vaker gebeurt, zodra er personen in het geding zijn loopt het uit op chaotisch bestuur. Een direct gevolg van de politieke kramptoestand die bij dergelijke zaken in Nederland vrijwel onmiddellijk optreedt. In die zin past de IRT-kwestie prima in het rijtje RSV, visfraude, bouwfraude, en paspoorten. Ook nu gaat alle politieke energie op aan het binnenboord houden van de direct of indirect verantwoordelijken.

Dat de IRT-zaak tot de categorie politiek explosief wordt gerekend, maakten premier Lubbers en minister Van Thijn vorige week duidelijk door direct na afloop van de persconferentie van de commissie-Wierenga met een eerste reactie te komen. Geen formele kabinetsreactie, want de ministerraad moest er de volgende dag nog over vergaderen. Dus eigenlijk een nieuwe vorm van openbaarheid van bestuur. De premier en de eerstverantwoordelijke minister die ten overstaan van de pers komen meedelen welk standpunt zij zullen voorleggen aan hun collega-ministers. Nu was het weliswaar zo dat een week eerder de ministerraad premier Lubbers, vice-premier Kok, minister Hirsch Ballin van justitie en minister Van Thijn van binnenlandse zaken formeel had gemandateerd het voortouw te nemen, maar getuige de discussies die vrijdag in het kabinet zijn gevoerd over het optreden van Lubbers en Van Thijn is dat mandaat wel zeer ruim ingevuld.

Ook het feit dat Lubbers en Kok zich zo nadrukkelijk met de IRT-zaak hebben beziggehouden, illustreert de politieke gevoeligheid van de materie. Het komt erop neer dat beide coalitiepartners zo kort voor de verkiezingen geen behoefte hadden aan rumoer over bewindslieden. Wat het gemeenschappelijk gevoelen vergemakkelijkte was de 'prettige bijkomstigheid' dat beide partijen met een probleem zaten. De CDA'er Hirsch Ballin kon als justitieminister het falen van het openbaar ministerie worden aangerekend. De PvdA'er Van Thijn kon als pas aangetreden minister van binnenlandse zaken weinig worden verweten, maar des te meer in zijn vorige functie als burgemeester van Amsterdam. In beide gevallen is er in de recente politieke geschiedenis sprake van precedenten. Minister Braks ruimde in 1990 het veld nadat bij herhaling was gebleken dat hij het verschijnsel zwarte en grijze vis niet onder controle kon krijgen. Minister Van Eekelen van defensie vertrok in 1988 omdat zijn falen als staatssecretaris van buitenlandse zaken onder een vorig kabinet in de paspoortkwestie hem zwaar werd aangerekend.

De eerste vraag is of de positie van minister Hirsch Ballin in het geding is. Het gebeurde immers allemaal onder zijn formele verantwoordelijkheid. De reactie van Van Thijn en Lubbers op het rapport-Wierenga zegt in feite dat wat hen betreft die vraag in het geheel niet aan de orde is. Want door de positie van verantwoordelijken lager in de hiërarchieke lijn niet ter discussie te stellen, namen zij tevens Hirsch Ballin volop in bescherming. De vier Amsterdamse hoofdrolspelers in het IRT-drama hadden fouten gemaakt, zei minister Van Thijn vorige week, maar dat betekende niet dat zij uit hun functies ontheven dienden te worden. Zij hadden, aldus Van Thijn, naar beste weten gehandeld, waarmee hij het vraagstuk van de verantwoordelijkheid beperkte van 'hadden kunnen weten' tot 'weten'. Anders gezegd, het kon hen niet kwalijk worden genomen zich slechts te hebben beperkt tot het weten. Een interessant standpunt. De procureur-generaal, de hoofdofficier van justitie, de hoofdcommissaris; nimmer gaat hun verantwoordelijkheid verder dan wat zij daadwerkelijk onder ogen hebben gezien. Het staat mijlenver af van de 'Carrington-doctrine', genoemd naar de Britse minister van defensie die het ambt verliet wegens gemaakte fouten tijdens de Falkland-oorlog. Hij kon er niets aan doen, maar nam de volledige verantwoordelijkheid en trad af. Volgens Van Thijn kan de Carrington-doctrine alleen op politieke ambtsdragers worden toegepast. Dat is zo, maar juist de apaiserende eerste reactie van hem en Lubbers op de conclusies van de commissie-Wierenga over de Amsterdamse verantwoordelijken, heeft ertoe geleid dat niemands functioneren meer ter discussie wordt gesteld, ook niet die van de politieke ambtsdragers. Want hoe wankel zou de positie van minister Hirsch Ballin zijn geweest als wel personele consequenties uit het rapport waren getrokken? De tweeslag vorige week was in elk geval frappant: allereerst uit het kabinet de verdediging van de aangeklaagden in het rapport en vervolgens direct uit de regeringsfracties de steun voor de betrokken ministers.

Hun positie is de politieke vraag die straks in het Kamerdebat, ondanks het standpunt van de politiewoordvoerders van PvdA en CDA, toch zal worden gesteld. Het is het inmiddels vertrouwde debat over de ministeriële verantwoordelijkheid, ofwel tot hoe ver strekt de verantwoordelijkheid van de minister zich uit in het doen en laten van zijn ambtenaren. Tijdens het eerste grote visfraude-bevat dat uit 1987 dateert, citeerde minister-president Lubbers ruimschoots professor Simons die zich toentertijd als regeringscommissaris bezighield met de herziening van de grondwet. Volgens Simons was de ruime verantwoordingsplicht van de minister slechts te vervullen “indien boven zijn hoofd niet steeds zweeft het Damocleszwaard van de sanctie: het heengezonden worden door het parlement omdat het politieke vertrouwen in hem zou zijn geschonden. Dat zwaard mag slechts worden gehanteerd indien hem een een zeer ernstig verwijt wegens zijn eigen handelen of eigen nalaten treft dat ook het vertrouwen in zijn mogelijkheid tot correctie of tot een aan de Kamer in de toekomst welgevallig beleid te zeer ondermijnt.” Voor Lubbers waren Simons' woorden in 1987 een bevestiging van zijn stelling dat minister Braks niet weghoefde. Braks zou drie jaar later, na weer een visaffaire, alsnog aftreden. Op hem was toen het vervolg van Simons' betoog van toepassing: “Daarnaast kan de politieke verantwoordelijkheid in de uiterste zin van het heenzenden van het kabinet of de minister ook plaatsvinden indien in dezen het vertrouwen ontbreekt, terwijl de laatste geconstateerde verkeerde handeling of nalatigheid op zichzelf niet zo belangrijk is maar als het ware de druppel vormt die de emmer van het parlementaire misnoegen doet overlopen.” Het zou de casus Hirsch Ballin kunnen zijn. De IRT-kwestie als de druppel wanneer het gaat om het totale beleid of non-beleid van effectieve criminaliteitsbestrijding. Zo zal de oppositie het zeker spelen. De PvdA zou dat misschien ook willen, ware het niet dat dan direct het functioneren van de eigen minister Van Thijn in het geding komt. Niet als minister van binnenlandse zaken, maar als burgemeester van Amsterdam in de tijd dat de IRT-zaak tot uitbarsting kwam. In enkele gevallen was Van Thijn er direct bij betrokken, in andere gevallen is de zaak onder zijn verantwoordelijkheid uit de hand gelopen. Dat mag hem strikt genomen als minister van binnenlandse zaken niet worden verweten, maar als zijn optreden in het verleden zijn functioneren als minister van binnenlandse zaken gaat hinderen, staat zijn positie wel degelijk ter discussie. Een minister kan niet teveel 'ruis' om zich heen hebben.

Zo zuiver en zo zakelijk kan het debat over de politieke gevolgen van de IRT-zaak echter niet worden gevoerd. Het gaat om twee belangrijke ministers. Op zo'n moment gaan politiek opportunistische overwegingen overheersen. In een vroeg stadium hebben CDA en PvdA besloten dat uit de IRT-kwestie geen bloed mocht vloeien. Dan is een open gedachtenwisseling onmogelijk. Intern is het, zoals dat heeft, afgedicht. Wat dat voor indruk maakt op de veel grotere buitenwereld is van minder zorg. Die zorgen komen pas na de verkiezingsuitslag.