School voor asielzoekers

Op de openbare school Juvenile in Ede beginnen de honderdvijftig leerlingen elke ochtend met het ontbijt. Om kwart voor negen zijn ze bij school afgeleverd door de bussen die hen hebben opgehaald uit de asielzoekerscentra in Lunteren en Wageningen.

Ook het brood, de pindakaas en de hagelslag zijn met de bus meegekomen. In de brede gang tussen de klaslokalen staan de tafels gedekt en de kinderen, die tussen de vier en negentien jaar oud zijn, zoeken meteen hun plekje. Uit alle windstreken komen ze: voormalig Joegoslavie, Gambia, Irak, Birma. China, Somalie, Zaire. De meesten spreken nog maar weinig Nederlands, maar tijdens het eten is het een gekwetter van jewelste. Er zijn zelfs Zairezen die al een aardig mondje Bosnisch spreken.

In mei 1991 startte de asielzoekersschool Juvenile van de ene op de andere week met veertig leerlingen en vier leraren. Een afgekeurd schoolgebouwtje in een buitenwijk van Ede werd ingericht met tafels en stoelen. Het lesmateriaal kwam uit de fotokopieermachine en zo is het nog steeds, want in deze vorm van onderwijs is het een komen en gaan van kinderen. Een heel boek krijgen ze nooit uit. Alles is per definitie tijdelijk. De leraren zijn afkomstig uit het reguliere onderwijs en geen van hen heeft ooit geleerd hoe je Nederlands als vreemde taal moet onderwijzen.

Maar ze zijn bereid te pionieren, ook als er analfabeten en Arabisch schrijvende leerlingen bij komen, en dove leerlingen of kinderen met ernstige gedragsproblemen. Nieuwe leerkrachten - er werken er inmiddels elf op Juvenile - worden door de oudere garde wegwijs gemaakt en op studiedagen wisselen ze ervaringen uit met collega's van andere asielzoekersscholen.

“Het wordt hier nooit een sleur”, verklaart directeur Luuk van der Woude. Op de ordentelijke basisschool waar hij jarenlang les gaf had hij intussen alles al een keer meegemaakt. Op Juvenile is elke dag anders. Maandag krijgen we er weer een groep van twintig nieuwe kinderen bij. Ze blijven misschien zes weken, extra leerkrachten en meer ruimte zitten er dus niet in. Menig schoolhoofd zou daar slapeloze nachten van krijgen. Van der Woude vertrekt geen spier. “Ik weet nog niet waar ik ze kwijt moet, we zitten mutjevol, zelfs op de gangen wordt gewerkt. Maar eerst moet ik gaan regelen dat ik tafels, stoelen, borden en bestek voor ze krijg.”

Dat deze kinderen zo snel mogelijk naar school moeten staat voor hem vast. Weg uit het centrum waar de spanningen hoog op kunnen lopen en iedereen boven op elkaar zit.

“Punt een is dat we de kinderen hier veiligheid en geborgenheid bieden, punt twee is dat we ze aanspreekbaar maken in het Nederlands”, zo vat Van der Woude de opdracht van zijn school samen. Aan vakken als aardrijkskunde of biologie komen ze dan ook zelden toe. Wel wordt er gegymd en gezwommen, muziek gemaakt en veel gespeeld.

In de kleuterklas gaat het eigenlijk heel gewoon toe: eerst een kringgesprek met een paasliedje, daarna vrij spelen, knippen en limonade drinken. “Toch is het zeer intensief”, legt juf Mariette Ekkel uit. “We leren de kinderen alle basisbegrippen in het Nederlands. Jas aan, schoenen uit, goedemorgen, ik heet Emina, het is maandag, mijn trui is rood. Ze pikken het allemaal razendsnel op.” Telkens weer kan de kleuterjuf zich erover verbazen hoe flexibel kinderen zijn. “Met de meesten is heel wat afgesjouwd, die zijn al zo vaak verkast. Om de zoveel tijd zitten hier allemaal nieuwe kinderen.”

In het lokaal ernaast moet juf Tiny Blyjenberg alle zeilen bijzetten om de ruim twintig asielzoekertjes in de leeftijd van zes tot acht jaar de aandacht te geven die ze nodig hebben. “Er zitten kinderen tussen, zoals Khadra uit Somalie, die nog nooit naar school zijn geweest. Een potlood, een schaar, alles is nieuw voor haar. En dat jongetje is altijd doodmoe”, wijst ze naar een bleek Bosnisch ventje dat in een hoek met autootjes zit te spelen. “Ze zitten met de hele familie op een kamer en hij gaat pas slapen als z'n ouders naar bed gaan.”

Vooral de oudere kinderen zijn erg leergierig. “Ze beseffen heel goed dat ze zich hier alleen staande kunnen houden als ze de taal spreken”, zegt lerares Christien Dirkse. “Muziekles en handenarbeid vinden ze zonde van de tijd.”

Dat de concentratie laag ligt, verbaast niemand. Veel kinderen hebben afschuwelijke dingen meegemaakt. Een veertienjarige Bosnische jongen zag zijn beide ouders voor zijn ogen vermoord worden, een Somalisch meisje moest meemaken dat haar moeder en twee andere kinderen van het gezin verdronken toen de boot waarop ze zaten werd beschoten.

“Het meeste weten wij niet”, zegt directeur Van der Woude, “toch, het is duidelijk dat veel kinderen met emotionele problemen kampen. Maar wat kunnen wij er mee? We zijn leraren, geen therapeuten. En dan nog: je mist de taal om over die dingen te praten. We geven ze een aai over hun bol als we zien dat ze het moeilijk hebben.”

De dertienjarige Ringo draagt witte gymschoenen, de zwarte baseballpet heeft hij achterstevoren op zijn hoofd. Twee maanden geleden is hij samen met zijn tweeentwintigjarige broer uit Zaire naar Nederland gevlucht. Eerst kwamen ze in een opvangcentrum, nu zitten ze in het asielzoekerscentrum in Lunteren. “Mijn vader en moeder zijn dood”, vertelt hij in het Frans, want veel Nederlands spreekt hij nog niet. Op felle toon laat hij er op volgen: “Nooit, maar dan ook nooit zal ik teruggaan naar Zaire.”

De meeste van de zeventig leerlingen uit de hoogste klassen van Juvenile zijn AMA's. Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers, jongeren die zonder enige familie deze kant zijn op gekomen.

Ook de achttienjarige Mohammed Ulla is in zijn eentje uit Birma naar Nederland gevlucht. Onderwijs heeft hij in zijn geboorteland nauwelijks gehad. Nu zit hij met juf Christien Dirkse tussen de gedekte tafels en buigt zich diep over het boekje Veilig Leren Lezen. Achter elkaar zegt hij de woordjes: Papa Gaat Weg Met Kees En Miep Hij Gaat Naar Het Bos.

Christien Dirkse laat hem op de plaatjes papa en het bos aanwijzen om te kijken of hij begrijpt wat hij leest. Ja, hij begrijpt het, maar wat er achter die droevige blik schuil gaat weet niemand.

    • Michaja Langelaan