Ruilen tussen klas en Zoetermeer

Ambtenaren van het ministerie voor de klas en leraren tijdelijk naar het ministerie: het project Interimfunctievervulling maakt het allemaal mogelijk. En lang niet iedereen wil terug.

Op de nieuwsjaarsborrel van het ministerie van onderwijs werd vorig jaar een geheim onthuld. In zijn toespraak vertelde secretaris-generaal M. Meijerink dat hij incognito al een jaar lang een paar uur per week als leraar economie werkte op een middelbare school in Den Haag. Dat beviel zo goed dat ook anderen ervaring moesten opdoen aan 'de andere kant', zei hij.

En zo ontdekte ambtenaar Andre Kuperus dat binnen het HBOrampzalige misverstanden bestaan over het financieringssysteem dat hij zelf mede heeft ontworpen. Leraar Nederlands Loek van Noort kwam er achter dat hij ondanks zijn afkeer van ambtelijke competentiestrijd Zoetermeer verkiest boven school.

Op een kamertje ergens onderin het ministerie van onderwijs vertellen beide deelnemers aan het project Interimfunctievervulling hun verhaal. Sinds vorig jaar zomer doen in totaal drie leraren en twee ambtenaren aan het project mee. Deelnemers krijgen de garantie dat ze na een jaar weer op hun oude plek terug kunnen.

Lang niet alle 'IF-ers' doen dat, zo blijkt. Loek van Noort treedt binnenkort in vaste dienst van het ministerie. En een van de andere IF-ers is inmiddels in dienst getreden van het Forum Vitaal Leraarschap, een voortzetting van de commissie-Van Es.

Loek van Noort (42) was sinds 1977 leraar Nederlands op een HAVO/VWO-school in Uithoorn. Hij las in de krant over de plannen van Meijerink en besloot onmiddellijk een open sollicitatiebrief te schrijven. “Niet om daarna op school te kunnen uitleggen hoe het er op het ministerie aan toe ging, welnee. Ik wilde nog wel eens wat anders doen in mijn leven, en dit was een mooie kans”, verklaart hij zijn motieven. Eenmaal ambtenaar 'ad interim' heeft hij op zijn oude school al een paar keer uitgelegd dat het zo opvallend was dat “de ambtenaren op Onderwijs zo'n grote betrokkenheid met het onderwijs hebben”. “Je denkt er geen mensen bij als je de circulaires ziet maar dat is ten onrechte”, aldus Van Noort, die inmiddels op het ministerie een vaste baan heeft aanvaard.

Competentiestrijd

Op school had hij onder andere als plaatsvervangend conrector gemerkt dat “een slag abstracter werken dan het concrete lesgeven” hem uitstekend beviel. Als lid van de personeelsraad vatte hij zelfs liefde op voor het complexe 'formatiebudgetsysteem' (FBS) waarmee scholen de laatste jaren zelf hun personeelsuitgaven kunnen regelen. Zijn pogingen om ergens rector of conrector te worden mislukten. “En dus wilde ik er uit, want je wilt toch je talenten ontwikkelen.”

bpVan Noort begon augustus vorig jaar bij de directie Primair Onderwijs. Namens die directie werd hij lid van de ambtelijke 'projectgroep Vitaal Leraarschap' die het advies van de commissie-Van Es uitwerkte. Hij raakte snel thuis in de ambtelijke materie, maar verbaasde zich over “de sterke hierarchie” op het ministerie. “Op school was ik dat niet zo gewend, maar er bestaat hier een competentiestrijd over wie betaalt wat, wie mag een project uitvoeren, wie mag met de eer gaan strijken. Dat wordt allemaal heel serieus genomen. Ik vind het energieverspilling. Het gaat om het totaal, juist bij zo'n algemeen onderwerp als de vernieuwing van het leraarschap. Maar je moet wel meedoen.”

xpZijn onderwijsachtergrond kwam bij de discussies in de projectgroep goed van pas. “Bijvoorbeeld toen de bevoegdhedenregeling aan de orde kwam. Er waren ambtenaren die dat helemaal vrij wilden geven. Maar ik zag direct voor me hoe dat zou gaan: dat er een ingenieur bij een rector op sollicitatiegesprek zou komen, iemand die altijd veel Engelse boeken heeft gelezen en vaak naar London op vakantie gaat en daarom denkt dat hij wel leraar Engels kan worden. En ik stelde me voor me hoe zo'n man het klaslokaal zou binnenstappen bij zijn eerste les aan een 4 HAVO klas. Dat wordt dus een ramp. En dat kon ik de anderen ook duidelijk maken. Je moet toch ook didactische vaardigheden leren, en affiniteit hebben met kinderen.”

Van Noort merkte ook dat een onderwijsachtergrond altijd herkenbaar blijft. “Ik had onmiddellijk goed contact met iemand van de directie Voortgezet Onderwijs, die ook voor de klas heeft gestaan. We hebben aan een half woord al voldoende.”

Onverwachte effecten

Econometrist Andre Kuperus (38) stapte vorig jaar november voor een jaar over van het departement naar het stafbureau van de Haagse Hogeschool (vijf faculteiten, 12.788 studenten), “om eens te zien hoe het er in de praktijk aan toe gaat”. Ook geeft hij op de hogeschool een paar uur per week les in statistiek, zijn oude liefde.

Voordat Kuperus op het ministerie ging werken had hij een aantal jaren les gegeven op het HBO en “dat is volstrekt verslavend, ik vind het geweldig om te doen.” Overigens is hij vast van plan na het jaar weer naar zijn stek op het ministerie terug te keren. Want altijd les geven lijkt hem te eenzijdig. Hij is ambtenaar op het departement sinds 1988 en mede-vormgever van het systeem waarmee de onkosten van het HBO door het ministerie worden vergoed.

“Ik verbaas me inmiddels ook zelf over de onvoorspelbaarheid van dat financieringssysteem”, zegt hij. Door de onverwachte effecten van het systeem kwam het lesgeven al snel in de knel. “Het werden hectische weken, waarin ik met veel moeite nog tijd vond om voor de klas te staan.” Op het stafbureau zou hij zich eerst een paar weken op zijn gemak inwerken in de praktische financiele problematiek. “Maar ik ontdekte al na paar dagen dat de school de effecten van het financieringssysteem veel te eenzijdig inschatte.”

Er werd vooral naar het totaal aantal studenten gekeken, niet naar de leeftijdsverdeling. De school bleek veel zesde- en zevendejaars te hebben. Kuperus: “Omdat ik het systeem goed ken, realiseerde ik me plotseling dat dat de school snel veel geld zou gaan kosten. Door de nieuwste beperkingen van de studiefinanciering zouden deze studenten na hun afstuderen waarschijnlijk niet worden vervangen door nieuwe generaties zesde- en zevendejaars.”

Kuperus haalt een overhead-vel met een grafiek uit zijn tas om het onverwachte effect van het financieringssysteem aan te tonen. En hij maakt daarmee ook duidelijk hoe ingewikkeld het systeem is voor niet-ingewijden - “maar het blijft een heel mooi model, hoor!” Na zijn ontdekking sloeg hij alarm bij de directeur.

Die geloofde hem onmiddellijk, als deskundige van het systeem. Om een financieel fiasco van enige miljoenen te voorkomen (op een begroting van ruim 100 miljoen) werden “in hectisch tempo” allerlei maatregelen ingevoerd, onder meer om het snel afstuderen van studenten te bevorderen. Want binnen het systeem leveren 'diploma's' de school snel veel geld op.

Creativiteit

Inmiddels geldt in de HBO-wereld de Haagse Hogeschool op dit punt als 'voorbeeldschool' en reist Kuperus door het hele land om andere scholen uit te leggen hoe een en ander in elkaar steekt. “Op het ministerie had ik nooit aan dat probleem gedacht, ik heb het effect pas in Den Haag ontdekt.” Kuperus verbaast zich erover dat “tien jaar voorlichting over het financieringssysteem niet bewerkstelligd heeft dat de scholen goed weten om te gaan met de belangrijkste indicatoren van het systeem.”

Soms baart de uitwisseling tussen het departement en de hogeschool opzien. Kuperus: “Er waren onlangs Hongaarse bezoekers op de Haagse Hogeschool en het eerste dat ze vroegen toen ze over mij hoorden was: 'Wat is er mis?'. Er was immers een controleur van het ministerie! Zo zijn ze dat daar gewend, als er bij hen iets mis is komt er een regeringscommissaris.”

Kuperus vertelt dat de hogeschool niets voor hem verborgen heeft gehouden. “Alle kasten gingen open.” Alleen toen hij er blijk van gaf “vrijer met de regels om te springen dan de Haagse Hogeschool gewoon was” waren zijn nieuwe collega's een ogenblik bevreesd. “Als je dadelijk op het ministerie terugbent worden we natuurlijk gestraft voor de creativiteit, zeiden ze. Maar dat is onzin. Scholen zijn soms veel strikter dan nodig is. Ik heb bijvoorbeeld aangeraden om in bepaalde gevallen de diploma's een paar weken later uit te reiken, omdat dat een gunstig effect kon hebben op de financiering. Niemand heeft er last van, en de scholen krijgen daardoor geld dat ze anders mis zouden lopen, geld waar ze wel degelijk recht op hebben.”

    • Hendrik Spiering