Ouderenpartij (1)

Karel Reestman vindt partijvorming op basis van leeftijd verwerpelijk (NRC Handelsblad, 21 maart).

Immers, volgens Reestman zijn ouderen heterogener in overtuigingen, ideeën, etcetera dan welke leeftijdscategorie ook. Maar ik ken geen politieke partij zonder een rechter- en linkervleugel. En zou de visie op menselijk welzijn bij anderen niet uiteenlopen? Volgens de auteur is politieke samenbinding op grond van één sociaal-economisch belang en gericht op één leeftijdscategorie problematisch en niet blijvend. Maar in de partijprogramma's van de ouderenpartijen gaat het niet alleen om de materiële belangen. De AOW was slechts de aanleiding. Bovendien staan op hun kandidatenlijsten ook personen onder de vijftig jaar. 'Ouderen' is altijd nog een comparatief begrip en het is algemeen bekend dat 'jongeren' (ook een comparatief begrip) boven de veertig in onze maatschappij nauwelijks meer aan de bak komen.

Door een ouderenpartij zouden de grote partijen volgens Reestman de ouderenbelangen niet meer zo sterk behartigen. Het tegendeel is het geval. Twee dagen na de formele inschrijving van de twee ouderenpartijen op 22 maart werd door de Tweede Kamer de bezuiniging van 120 miljoen op de bejaardenoorden - let wel: voorlopig - geschrapt en een regeling getroffen ten gunste van de bejaarden in de particuliere ziektekostenverzekering. Tenslotte vraagt de auteur zich af, waar zo'n partij de politieke deskundigheid vandaan zou moeten halen. Dat getuigt van weinig vertrouwen in de kennis, routine, selectie en op te bouwen politieke ervaring bij ouderen. Bij de Romeinen werd een jongeling pas bij veertig jaar man (vir) en geschikt voor deelname aan het politieke leven. Die Romeinen waren zo gek nog niet.