Oppositie vraagt Kamer om enquête politiemethoden

DEN HAAG, 31 MAART. Er moet een parlementaire enquête komen naar de opsporingsmethoden van politie en justitie bij de strijd tegen de georganiseerde misdaad.

De oppositiepartijen VVD en D66 dienen hiertoe een motie in tijdens het Kamerdebat over de IRT-affaire dat vermoedelijk volgende week donderdag wordt gehouden. De enquête moet zich volgens de Kamerleden J. Kohnstamm (D66) en H. Dijkstal (VVD) niet toespitsen op de achtergronden van de opheffing van het Interrregionaal Rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht (IRT). De beide Kamerleden reageren hiermee op berichten, gisteren in het Amsterdamse avondblad Het Parool en vanmorgen in de Volkskrant, dat het eind vorig jaar opgeheven IRT wel degelijk plannen had voor de invoer van grote hoeveelheden hard drugs om hiermee te infiltreren in een misdaadorganisatie. De commissie-Wierenga heeft de achtergronden van deze actie beschreven in een geheim deel van het vorige week verschenen rapport over de ontbinding van het IRT. Bij de presentatie van het rapport heeft Wierenga gezegd dat de werkmethode 'zorgvuldig en niet onrechtmatig' was. De woordvoerders van de regeringspartijen CDA en PvdA zien in de perspublikaties over de opsporingsmethoden van vandaag en gisteren een bevestiging van hun mening dat de conclusie in dit onderdeel van het rapport-Wierenga niet juist was.

D66-woordvoerder Kohnstamm, voorzitter van de vaste Kamercommissie voor de politie, interpreteert de kranteberichten als pogingen die vanuit Amsterdam worden ondernomen om de discussie over het IRT zich te laten toespitsen op de mogelijk omstreden methoden van het team. Uit het onderzoek van de commissie-Wierenga is volgens Kohnstamm gebleken dat de omstreden werkmethode van het IRT slechts een onderdeel is van de uiterst gebrekkige samenwerking tussen verschillende politiekorpsen en het openbaar ministerie bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad.

Volgens Kohnstamm komt het steeds vaker voor dat politie en justitie zich bedienen van opsporingsmethoden die “niet door de beugel kunnen”. Het Kamerlid verwijst daarbij onder meer naar de omstreden werkmethode van het IRT en naar de zogenoemde 'inkijkoperaties' van politiemensen. Vorige week werd bekend dat de politie regelmatig inbraken pleegt bij verdachten van ernstige misdrijven om te kijken of een huiszoeking nuttige informatie kan opleveren.

Pag.3: Bloemen voor opheffen politieteam

Het Parool berichtte gisteravond dat het IRT “druk doende” was via een 'criminele informant' cocaïne naar Nederland te halen. De krant baseert zich op verslagen van IRT-vergaderingen waarin deze strategie werd besproken. De Volkskrant verwees vanmorgen naar een vertrouwelijke brief van de Amsterdamse procureur-generaal R. van Randwijck aan minister van justitie Hirsch Ballin waarin Van Randwijck er melding van maakt dat deze plannen van de IRT “in een vergevorderd stadium” waren.

In een reactie op deze berichten stelde commissievoorzitter Wierenga vanmorgen dat hij vasthoudt aan de conclusies in zijn rapport en de mondelinge toelichting die hij hierop vorige week heeft verschaft.

De Amsterdamse rechercheurs die deel uitmaakten van het opgeheven team hebben begin deze week bij de Amsterdamse commissaris J. van Riessen alsnog hun instemming betoond met de opheffing van dit team. “Een tiental Amsterdamse rechercheurs is begin deze week met een bloemetje bij Van Riessen geweest en hebben hem een brief gegeven. Over de inhoud van die brief kan ik geen mededelingen doen”, aldus de woordvoerder van de Amsterdamse politie, K. Wilting. “De brief heeft hem enorm geroerd.”

Volgens het Tweede-Kamerlid Kohnstamm van D66 moet het debat over de IRT-zaak volgende week eindigen met een opdracht aan de Tweede Kamer om een groep mensen aan het werk te zetten die het instellen van de parlementaire enquêtecommissie voorbereidt. Leden van de op 3 mei nieuw te kiezen Tweede Kamer zullen de enquête moeten uitvoeren, aldus het Kamerlid.

CDA-woordvoerder Van der Heijden zegt dat de berichtgeving over de omstreden werkmethode van het IRT hem “niet verrast”. “Ik ben niet in het bezit van de geheime stukken, maar ik meen zeker te weten dat het gaat om zeer essentiële hoeveelheden cocaïne die absoluut niet meer goed te praten waren. Het verbaasde mij dat de commissie-Wierenga er zo gematigd over oordeelde.” Volgens Van der Heijden betekent dit niet dat het rapport “in de prullenbak moet worden gegooid, want het legt goed bloot wat er allemaal is misgegaan bij de organisatie en de samenwerking rondom het IRT”.

Volgens Kamerlid Stoffelen van de PvdA geven de berichten “een zeer gedetailleerde bevestiging van ons oordeel dat de werkmethode onjuist was”. Het geeft volgens Stoffelen ook “evident” aan dat de minister van justitie “terecht heeft gezegd geen verantwoordelijkheid te willen dragen” voor de werkmethode van het IRT. “Er zijn twee mogelijkheden: de commissie-Wierenga beschikt over andere feiten. Die moeten dan boven water komen. Of de commissie zegt is van mening dat deze werkmethode geoorloofd was. Maar dat kan ik me nauwelijks voorstellen.”