Nieuwe Duitse assertiviteit

De vraag hoe, onder veranderende omstandigheden, de relatie van Nederland tot Duitsland zal zijn, leidt al snel tot vervolgvragen, zoals: tot welk Duitsland dan wel, vervolgens, in hoeverre zal het karakter van Duitsland worden bepaald door Duitslands internationale betrekkingen, en ten slotte, welk land zal daarop het meest zijn stempel drukken? In ieder geval zal Nederland zelf slechts een zeer bescheiden invloed op het Duitsland van de toekomst uitoefenen. Anders gezegd, de relatie van Nederland tot Duitsland zal sterk afhankelijk blijven van de ontwikkeling van de Duitse betrekkingen met andere staten.

Er zijn intussen twee zekerheden. De eerste: Nederland zal altijd intensieve betrekkingen onderhouden met Duitsland, of dat buurland zich nu in een door Den Haag gewenste richting ontwikkelt of niet. Er is geen alternatief, zoals de moderne geschiedenis leert. De andere zekerheid is dat Duitsland per definitie onder krachtige invloed staat en zal staan van andere grote en grotere mogendheden.

Het tijdperk van de Koude Oorlog verschafte Nederland een Duitsland waarmee het zeer wel kon opschieten, vastgeklonken als beide landen waren aan dezelfde bondgenootschappen. Het verschil in omvang en economische kracht werd al die jaren bovendien enigszins gecompenseerd doordat Nederland zich een, informeel, deel kon voelen van een soort Atlantisch-Europese suzereiniteit over de bondsrepubliek. Daarvan is nu geen sprake meer. De Duitse soevereiniteit is met de hereniging volwassen geworden. Weliswaar gedraagt het nieuwe Duitsland zich op internationaal terrein nog zeer terughoudend, maar van tijd tot tijd vallen er uitschieters te signaleren.

Nu behoeft een assertiever Duitsland voor Nederland niet onmiddellijk een probleem te zijn. Voorlopig zijn er meer voorbeelden te geven van Haagse teleurstelling over een als zwak beoordeeld Duits optreden dan van Haagse ergernis over Duitse arrogantie. De 'zwarte maandag' waarop Duitse passiviteit de Nederlandse voorstellen met betrekking tot een federaal Europa aan een droevig lot overliet, komt in de herinnering. En de strikte Duitse opvatting over blauwhelmenoperaties loopt allesbehalve gelijk op met de 'robuustheid' waartoe de Nederlanders zeggen bereid te zijn. Met argusogen heeft Den Haag bovendien een tijd lang de omzichtigheid gadegeslagen waarmee de regering in Bonn het Franse dwarsliggen in de onderhandelingen over de wereldhandel tegemoet trad. Totdat bleek dat de Fransen mochten incasseren en Den Haag zich moest haasten om zijn deel van de buit binnen te halen.

Andersom weet Nederland, anders dan sommige partners, goed uit te komen met de sterke mark, hoewel de verdedigingsmiddelen van de Bundesbank ook naar Hollandse smaak wel eens te scherp worden afgesteld. Van de haatcampagnes die de kracht van de Duitse munt elders heeft uitgelokt, is in Nederland absoluut geen sprake geweest. Het is ook wel verklaarbaar: indien een kleiner land zich afhankelijk weet van een groter wordt een zekere assertiviteit van betrokkene tegenover derden doorgaans wel gewaardeerd.

Het Duitse vraagstuk is ten diepste hoe de nodige zelfbewustheid te tonen en tegelijkertijd uitersten te vermijden. Een land van de betekenis van Duitsland dient niet weg te kruipen voor zijn verantwoordelijkheden, wil het geloofwaardig blijven. Maar wanneer het zijn kracht al te markant toont, staat het al gauw op de nodige tenen. Zo trachtten kort na de hereniging de waarnemers elkaar te overbieden met waarschuwingen tegen een aanstaand Duits imperialistisch offensief, richting Oost-Europa. Momenteel worden de aanzienlijke offers die Bonn zich ten behoeve van de wederopbouw daar getroost, eerder over het hoofd gezien dan op hun waarde geschat.

Mogendheden die Duitslands plaats bepalen zijn de Verenigde Staten, Frankrijk en Rusland, in die volgorde. De Amerikanen hadden Bonn enkele jaren geleden uitgenodigd tot een gedeeld leiderschap in Europa, maar zij zijn daarop weer enigszins teruggekomen als gevolg van de interne Duitse verdeeldheid over Duitslands internationale rol. Frankrijk daarentegen beoordeelt Duitsland meer en meer vanuit een minderwaardigheidsgevoel. De bijna-openbare uitval van de Franse ambassadeur in Bonn naar aanleiding van beweerde extravaganties van de Duitse minister van buitenlandse zaken was daar een sprekend voorbeeld van. Met de opheffing van het vier-mogendhedenstatuut over Berlijn - het vertrek van de geallieerden uit die stad zal straks met een oerpruisische Zapfenstreich worden gevierd - heeft Parijs naar eigen gevoel een flinke stap terug moeten doen. Waarvoor het nog compensatie zoekt.

De Duitse verhouding tot Rusland is open. Van Duitse zijde was aanvankelijk aangedrongen op een, Rusland onwelgevallige, uitbreiding van de NAVO met enkele uitverkoren Oosteuropese staten, maar Bonn heeft intussen zijn instemming betuigd met het ook door Moskou aanvaarde Atlantische aanbod van een 'partnerschap voor vrede'. Daarnaast heeft Duitsland de Russen dringend verzocht zich toch vooral te houden aan het overeengekomen vertrekschema van de Russische troepen uit Letland en Estland. Dat appel had overigens niets van een ultimatum. In Joegoslavië werken Amerikanen, Russen, Duitsers en Fransen samen in een hernieuwde poging de kanonnen tot zwijgen te brengen. Zij het dat de inbreng aan blauwhelmen daar langzamerhand omgekeerd evenredig is geworden aan de invloed op het 'vredesproces'.

Voor Duitsland nog meer dan voor zijn Europese en Atlantische partners zijn de ontwikkelingen in Rusland van belang. De bondsrepubliek wenst zich een bevriend Oosten zoals het aan een bevriend Westen is gelieerd. Maar de Duitsers realiseren zich dat van de vrienden in het Westen niet veel is te verwachten als het gaat om bevordering van de relaties met het Oosten. De Amerikanen onderhouden weliswaar speciale betrekkingen met Boris Jeltsin maar dat gebeurt op een ander niveau dan waar Duitsland opereert. Nu de NAVO zich slechts op afstand bij de perikelen van Oost-Europa heeft laten betrekken, is er ruimte ontstaan voor een nieuwe 'Ostpolitik' met toenemend eigen Duitse trekken.

In een land als Nederland, zo eng verbonden met de bondsrepubliek, verdient dat verschijnsel alle aandacht. Natuurlijk, Den Haag is in dat opzicht marginaal, maar dat feit mag niet leiden tot lethargie, of, ernstiger, nuffige afstandelijkheid. Het is een vitaal Nederlands belang om zich in te stellen op de dynamiek in de Duitse betrekkingen met Oost-Europa en verder. Dat zal vermoedelijk nogal wat souplesse vereisen.