Mezen wel blij met lege dop

Vogels in verzuurde bossen kampen met een ernstig kalkgebrek. Hun eieren zijn te bros om uit te broeden. Of ze zijn te dun, zodat ze uitdrogen. Onderzoekers stellen voor om als kalkbron lege eierdoppen in het bos te strooien. De mezen zijn er blij mee.

De laatste jaren signaleren vogelaars in de bossen op arme zandgronden vreemde dingen. Koolmezen en andere bosvogeltjes leggen steeds minder eieren en laten het nest vaker in de steek. Sommige vrouwtjes zitten zelfs wekenlang op lege nesten te broeden. De oorzaak, zo blijkt uit onderzoek van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren, is kalkgebrek door de verzuring van het milieu. Om goede eieren te kunnen leggen is behoorlijk wat kalk nodig en die halen de vrouwtjes voornamelijk uit slakkehuizen. Maar uit verzuurde bossen zijn de huisjesslakken verdwenen en dat leidt bij de vogels tot kalkgebrek. Het onderzoek, waarover vandaag in Nature wordt gepubliceerd, sluit aan bij de bevindingen uit andere verzuurde regio's in Europa. In 1989 werd hierover in W&O al eerder bericht.

“We hebben aangetoond dat het aantal slakken achteruitgaat door calciumgebrek op arme gronden”, zegt bioloog Jaap Graveland. “Calcium spoelt namelijk uit door de zure regen. Voor zover wij weten is hiermee voor het eerst experimenteel aangetoond dat calciumgebrek in het milieu een beperkende factor vormt voor in het wild levende vogels. Dat geeft een nieuwe kijk op de wijze waarop de verzuring op hoger niveau in de voedselketen toeslaat.”

Engelengeduld

Het onderzoek is met engelengeduld volbracht. Er zijn eindeloze hoeveelheden slakkehuisjes gedetermineerd, rupsen vermalen, paarde- en geitehaar, reee- en konijneharen, filterpeukjes en andere frutseltjes in de bossen onderzocht om er achter te komen wat de bosvogels nu precies aan voedingsstoffen binnenkrijgen. Plaats van onderzoek was ondermeer de Buunderkamp, een armetierig gemengd bos op de Veluwe dat model kan staan voor zo'n 80 procent van de Nederlandse bossen.

In korte tijd liep het aantal koolmezen met slechte legsels hier op van 10 procent in 1983/'84 tot 40 procent in 1987/'88. In 1991 legde 41 procent van de koolmezen in vier bossen op kalkarme grond slechte eieren, tegen 1,3 procent in bossen op vruchtbare gronden.

Vaak zijn de mislukte eischalen dun en poreus, ze ogen dof en korrelig in plaats van glanzend als porselein. De pigmentvlekken, die bij een normaal mezenei regelmatig over de schaal verdeeld zijn, zakken merkwaardig naar een kant uit. Zulke eieren breken eerder en drogen gemakkelijker uit.

Bijna de helft van dergelijke legsels (48 procent) wordt door de vogelmoeder in de steek gelaten nog voordat de eieren zijn uitgebroed. Bij gewone legsels is dat maar 14 procent. Als de slechte eieren al uitkomen, dan breken de jongen vaak hun pootjes zodra ze proberen rechtop te gaan staan. Verder worden er veel windeieren gelegd, waarvan men niet veel meer terugvindt dan een natte plek in de nestkom. Bovendien treden er soms dagenlange pauzes op tussen het leggen van twee opeenvolgende eieren en ook dat komt het broedresultaat niet ten goede. Zo'n tien procent van de nesten blijft zelfs helemaal leeg - en wordt soms toch nog driftig wekenlang bebroed. Soms ook krijgen de vrouwtjes last van legnood: het ei blijft dan in de baarmoeder steken en de vogel blijft persen tot ze er dood bij neervalt.

Graveland en collega's toonden aan dat elk meze-eitje zo'n 30 milligram calcium bevat en gemiddeld telt een legsel er negen. Daar is dus heel wat calcium voor nodig, een flinke lichaamsvoorraad blijkt echter niet aanwezig. Drie koolmeesvrouwtjes, die meteen na het leggen van hun eerste ei aan de wetenschap werden geofferd, bleken gemiddeld maar zeven milligram calcium meer in hun botten te bezitten dan drie lotgenotes die na het leggen van hun laatste ei werden geanalyseerd. Bij gebrek aan een calciumvoorraad in het lichaam moet in de legperiode voortdurend kalkrijk voedsel worden genuttigd, zoals slakkehuisjes. En blijkbaar weten de vogels dat maar al te goed.

Dat bleek in diverse voederproeven. Koolmeesjes die snippers slakkehuis of kippe-eierschalen kregen aangeboden in bakjes naast hun nestkast bleken daarvan driftig gebruik te maken, wat tot betere broedresultaten leidde. De vrouwtjes begonnen er een of twee dagen voor het leggen van het eerste ei van te eten en stopten daar weer mee een dag of twee nadat het legsel was voltooid. Per etmaal werd zo'n 60 milligram calcium opgenomen. Vooral 's avonds wordt van de slakkehuizen gegeten. In de loop van de nacht wordt de eischaal gevormd en de volgende dag wordt het ei gelegd. In het onderzoek worden twee vrouwtjes beschreven die helemaal ziek waren door kalkgebrek. Ze waren lusteloos en kleumerig, met opgezette veren, zakten herhaaldelijk door hun poten en hadden al dagen geen ei meer gelegd. Toen ze 's middags om drie uur een bakje slakkehuizen kregen aangeboden fleurden ze zichtbaar op en de volgende dag lag er weer een gezond ei in het nest. Soms doet de partner zijn best om mee te helpen. Hij versnippert de harde slakkehuizen en biedt de brokjes aan zijn vrouwtje aan.

Gezonde botjes

Ook de jongen worden hiermee volop bijgevoerd. Een nestjong van twee weken oud bevat al 80 milligram calcium en het gewone 'kindermenu' van rupsen en spinnen kan maar in een vijfde van de hoeveelheid kalk voorzien die nodig is voor de ontwikkeling van gezonde botjes. Slakkehuismateriaal vormt dan ook een welkome aanvulling.

In verzuurde bossen worden echter haast geen slakken meer aangetroffen. Huisjesslakken hebben namelijk vrij veel calcium nodig voor hun groei en voortplanting. Ze krijgen die niet alleen met hun voedsel binnen, maar ook door het eten van grond of door rechtstreekse opname via de huid. In calciumarme grond sterven de huisjesslakken uit.

Bij gebrek aan slakken in het zure bos zoeken de vogels allerlei alternatieven. Dorpsbewoners zagen vaak een koolmees de kippenren induiken om met een snavel vol grit weer op de wieken te gaan. Ook gekleurd textiel, filterpeukjes en kippeveren worden in de nesten teruggevonden. Bij een hotel werd geobserveerd hoe de koolmezen speciaal langskwamen om de kippe-eischalen uit het keukenafval te halen. Soms zag men de vogels zelfs mortel uit de voegen van oude gebouwen peuteren of wroeten in plantenbakken waar kippe-eierschalen door de potgrond waren gemengd. Langs parkeer- en picnickplaatsen in de onderzochte bossen en rond campings zijn de broedresultaten aantoonbaar beter dan midden in de pure (lees: zure) natuur.

Verdwijnen

Volgens de onderzoekers is het heel goed denkbaar dat deze effecten niet alleen in de voedselarme zure bossen spelen, maar ook in heide en stuifzand, hoogveen en vennen. Wellicht speelt dat een rol bij het verdwijnen van vogels als korhoen en nachtzwaluw, duinpieper, boomleeuwerik en roodborsttapuit. Daarom wordt gepleit voor het invoeren van een permanent 'kalkgebrek-meetnet' in natuurgebieden met koolmees en huisjesslak als indicatorsoorten. Nestkastwerkgroepen en andere vrijwilligers zouden daaraan kunnen meewerken. Om de ergste nood te lenigen kunnen voederplaatsen in het bos worden ingericht. Wellicht staan er straks overal grote bakken met kippeschalen tussen de dennebomen - niet verder dan 500 meter uit elkaar, zo adviseren de oecologen. Ook wordt geexperimenteerd met het bekalken van de bosbodem. Te vrezen valt overigens, dat aluminumvergiftiging, een ander neveneffect van de verzuring, de gevolgen van toenemend kalkgebrek op den duur zelfs zal overvleugelen. In Zweden worden veel zangvogels die broeden langs verzuurde meren daardoor al getroffen.

Opvallend is dat temidden van alle aanbevelingen in het onderzoeksrapport nergens meer met een woord wordt gerept over het aanpakken van de verzuring zelf. Alsof men die moed al had opgegeven.

    • Marion de Boo