Lier in de Kempen; 'Men gelooft hier in God met een stuk spek in de mond'

Wie door de velden van Boechout het Belgische plaatsje Lier binnenrijdt slaat onmiddellijk de walm van wafels en varkensgebraad in het gezicht. In het piekfijn gerestaureerd stadshart barst het van de slagroomgevels, het gietijzeren hekwerk en de kinderkopjes.

Het is een paradijs op aarde, een lustoord met klare slootjes, weiden vol wiegend gerst en bijenkorven die schuimend overlopen van de honing. In de boeken van Felix Timmermans (1886-1947) is het Vlaamse stadje Lier bij Antwerpen een karikatuur van katholieke overdaad en boertig genot. In elke maag schuilt een beer. Er worden zoveel speenvarkens, frikadellen, pinten en met zoete boter besmeerde wafels aangesleept dat de inwoners niet alleen kogelrond zijn, maar ook eindeloos staan te dringen voor de wc.

“'t Is goe, en smokt nor den hemel”, concludeert romanfiguur Pallieter meer dan eens met het zweet op zijn voorhoofd en met vettige handen na een schranspartij. Om vervolgens zijn pijp te stoppen of 'een mollig ding met blote braaien en waggelende heupen' tegen zich aan te drukken. Een enkele keer loopt zijn gemoed over van al dat schoons. Dan haalt hij zijn ebbehouten fluit tevoorschijn en speelt er een deuntje op.

Zonder dat hij het zelf besefte, bemande Felix Timmermans in zijn eentje de eerste Lierse toeristendienst. Hij beloofde de lezers van zijn voluptueuze Heimat-romans gouden bergen in de Belgische Kempen. Hoewel 'den Fé' zelf nogal weemoedig van aard moet zijn geweest, introduceerde hij het rijmpje 'Lierke plezierke', een kreet die je nog steeds op elke straathoek aantreft.

“Mystiek en zinnelijkheid mengelen zich in Lier bijeen”, schreef hij in Schoon Lier. “En meer dan ergens anders vindt men hier dit verdeelde hart: de herberg nevens de kerk. Het heimwee naar den hemel en een dronk op het leven. Men gelooft hier in God met een stuk spek in de mond.”

Zijn lofzang werd Timmermans in Vlaanderen niet door iedereen in dank afgenomen. Volgens collega-schrijver August Vermeylen bezoedelde hij 's lands goede naam met zijn proza over 'dat brassende en slampampende kermis Vlaanderen'. Ondertussen veranderde Lier na het verschijnen van Pallieter in 1916 in een literair pelgrimsoord. Vooral Nederlanders zakten in groten getale naar Pallieterland af, nieuwsgierig geworden naar de Kempische gastronomie, de rijkdom der natuur en de losgeslagen volksaard.

De meesten keerden teleurgesteld weer naar huis terug. Er viel zo vlak na de Eerste Wereldoorlog weinig te brassen in Lier en een groot deel van de historische binnenstad lag in puin. In 1914 hadden de Duitse stoottroepen zevenhonderd huizen kapotgeschoten. In plaats van de beloofde sloeberbanketten, troffen toeristen op de Grote Markt een armoedig frietkot aan.

Een armoedig frietkot staat er nog steeds, midden tussen uitbaterij De Elzenhof en het rococo-stadhuis in. Maar verder is het stadshart om de Kleine Nete heen weer piekfijn gerestaureerd. Het barst er van de slagroomgevels, het gietijzeren hekwerk en kinderkopjes en als je door de velden van Boechout het centrum binnen rijdt slaat je direct een walm van wafels en varkensgebraad in het gezicht. Timmermans overdreef schromelijk in zijn lofzangen, maar dat neemt niet weg dat dit 31 duizend inwoners tellende stadje onder de rook van Antwerpen doel van een genoeglijke dagtrip kan zijn.

Het is zondagmiddag half een. De wekelijkse postduivenmarkt loopt tegen het einde en de laatste duivenmelkers pakken hun jonge doffers in rieten manden. Het is tijd voor frites met stoofvlees en mayonaise. “Niet zo dringen”, waarschuwt de fritesbakker.

Guido Jacobs uit Beerzel mag niet klagen. Hij heeft vandaag zesentwintig jongen verkocht voor tweeduizend francs per stuk. Al zevenendertig jaar houdt hij een duiventil in zijn achtertuin. Hij heeft er zo'n tweehonderd. “Rasduiven wel hè”, benadrukt Jacobs. Zuivere rassen, zoals dat van de befaamde fokster Mariëtte van de Weyer uit Booischot of van Gilbert Vercauteren uit Kaprijke. Hij heeft hun namen groot op een kartonnen bord geschreven en iedere koper krijgt een stamboom bij zijn duivejong. Dat het gouden duiven zijn kun je aan de oogjes zien, vertelt de melker. “Die glanzen, net als bij een mooie vrouw.”

Op de Grote Markt staat een Nederlandse touringcar. De bus is gehuurd door een duivenhoudersvereniging uit Den Bosch. Als de kas het toelaat rijdt het gezelschap een zondagje op en neer naar Lier. Op een enkele Hollandse duivenmelker na en wat kermisklanten in juni zien de inwoners van Lier niet bijster veel toeristen in hun stad. Dat verbaast ze. “Er mag dan wel wat vernield zijn in de Eerste Wereldoorlog”, zegt een Lierse zondagsschilder. “We hebben hier wel een Middeleeuws begijnhof, de Sint Gummaruskerk waar Philips de Schone met Johanna van Castilië trouwde en de Zimmertoren met het astronomische uurwerk.”

De schilder bewoont een miniatuurhuis in het begijnhof. Een dertiende-eeuws stadje in de stad, waar de straten namen dragen als 't Piepenholleke en 't Soete Naemken, en huizen Den verdroencken Franciscus heten of De wijngaard des Heren. Lopen over de kinderkopjes van het Hemdsmouwken, het kleinste straatje van België, heeft iets anachronistisch. Het is er uitgestorven, het stinkt er zoals alleen oude steden stinken en je kunt een prevelende pastoor Vermeiren in soutane tegen het lijf lopen.

Een paar jaar geleden vertrok het laatste begijntje naar een verzorgingstehuis en daarmee is het hof voor het eerst in bijna acht eeuwen volledig geseculariseerd. In het Convent, dat eens dienst deed als novicenhuis van de begijnen, zijn nu ateliers en tentoonstellingsruimten ondergebracht. De infirmerij, de geestelijke ziekenboeg, wordt binnenkort gerenoveerd. Er komen veertig serviceflats voor ouden van dagen in.

Aan de Grachtkant huurde Felix Timmermans in het begin van deze eeuw een kamer. Hij schreef er een begijnensprookjesboek en de novelle De zeer schoone uren van juffrouw Symforoza, over een spichtig begijntje dat verliefd wordt op de hovenier. “Nu moet Symforoza in 't Hellestraatje komen waar Martienus woont. Ze is er helemaal van onder de voeten, ze wordt wit en rood en asemt met schokskens.” Toen Timmermans door meneer pastoor werd betrapt op een spiritistische seance moest hij het gewijde wijkje verlaten.

Het Timmermans-Opsomerhuis, dat vlak buiten de monumentale toegangspoort van het begijnhof ligt, geeft een aardig beeld van het leven en oeuvre van de chroniqueur. Zijn primitieve illustraties hangen er, evenals de onvermijdelijke eerste drukken van Pallieter en Boerenpsalm. Maar er is ook een privé-verzameling zwartwit-foto's van de Heimat-schrijver en zijn familie geëxposeerd.

bp De begane grond van het stadsmuseum is gereserveerd voor de Lierse portret- en landschapsschilder Isidoor Opsomer (1878-1967). Vooral diens portretten van koning Albert I en vriend Timmermans zijn de moeite waard. Voor de astronoom en klokkenmaker Louis Zimmer (1888-1970), die onder meer de afstand van de aarde tot Pluto berekende, is een wat merkwaardig paviljoen ingericht. Zijn wonderklok staat er opgesteld, een mechanisme waarop 93 wijzerplaten zijn aangesloten en Zimmers werkplaats is er nogal provisorisch gereconstrueerd. Er hangt een affiche met de tekst: 'Toeristen bezoekt Lier! Het Brugge der Kempen'. Naast het paviljoen ligt de zwaar gerestaureerde Zimmertoren - voor 1930 Corneliustoren - waarop een uit dertien uurwerken bestaande jubelklok prijkt. xp

“Ik bid voor Zimmer en voor onze andere grote heren”, mompelt de Lierse cursiefjesschrijver Wim Van Gelder sentimenteel. Hij zit boven een tripel in zijn stamkroeg Casino en zucht. “Ze liggen allemaal bij Pierke Moestache, dat was een beroemde herberg naast het kerkhof.” Van Gelder schreef maar liefst veertien toeristische gidsen over de stad “die in mijn ziel ligt gebrand”. Hij gaat door voor de grootste Lier-kenner en noemt zichzelf in een drieste bui wel 'de opvolger van den Fé'.

“Vroeger keken Lierenaren elkaar in de mond. Ze hielden elkaar in de gaten. Als er een trouwerij was, trokken de vrouwen uit de wijk met veger en blik de straat op om het parcours van de bruidsstoet schoon te vegen. Keersters noemden zij zich. Stierf er een medeburger dan hielden biddeleers, lijkebidders, in herberg In 't Kruisken de wacht bij de kist. Die sociale bekommernis is er niet meer.”

Kastelein Jos Bogaers schuift aan. Hij is zesentwintig jaar eigenaar van café Casino en maakt zich ook een beetje zorgen. “De vriendschap ebt langzaam weg uit de stad. Toen ik hierin trok, sprak iedereen over voetbal of wie de grootste karper uit de Nete had gevist. Nu zitten ze in groepjes te fluisteren over de laatste aflevering van hun favoriete televisiefeuilleton.”

“En toch”, Wim Van Gelder steekt waarschuwend zijn wijsvinger naar de kroegbaas, “Lierke plezierke, hè Jos? We hebben met z'n dertigduizenden nog een ding gemeen. We zijn trots op onze stad en wie ons beledigt, die kieperen we in het zuur.”

    • Jutta Chorus