KENNIS WERELDWIJD

De wereldwijde produktie van kennis neemt onvoorstelbare vormen aan. Alleen al het aantal publikaties dat geregistreerd en (deels) opgeslagen wordt in de belangrijkste internationale gegevensbanken overtreft de een miljoen per jaar. Voor octrooien (beschrijvingen van uitvindingen) geldt ongeveer hetzelfde. Zien we door de bomen nog het kennisbos? Weten we nu steeds meer, of neemt alleen een groter wordende hoeveelheid onsamenhangende informatie toe? Vinden we niet voortdurend wielen uit die allang ergens zijn, en, als het nieuwe wielen zijn, kan dan die nieuwe kennis effectief gebruikt worden? Voor de hand liggende vragen.

Sommigen menen bij voorbaat een antwoord te hebben: natuurlijk is het te veel aan het worden, het mag best eens wat minder met dat gepubliceer. Zowel binnen als rond de universiteit hoor je de laatste tijd steeds meer dit geluid. In deze kringen spreekt men dan over 'publikatietjes', 'veelschrijverij', meer-van-hetzelfde-publiceren, enzovoorts. Er hangt een nog kwaadaardiger variant in de lucht: de produktieve onderzoeker zal wel wat overgeschreven hebben, of zijn naam 'overal bij zetten'.

Het wetenschappelijk onderzoek is na de Tweede Wereldoorlog in omvang sterk met de toenemende welvaart van Westerse landen gegroeid. Op zijn beurt is het zelf een krachtige motor van deze welvaart geworden. Van alle onderzoekers die sinds het begin van de mensheid op aarde hebben geleefd, leeft verreweg het grootste gedeelte nu. Dat geldt natuurlijk voor heel veel andere zaken. Wetenschapsbeoefening is mensenwerk, en daarom geen uitzondering. Bovendien zijn er in de wetenschap vreselijk spannende ontwikkelingen, en is de internationale competitie sterk. Gelukkig maar!

Voor vooraanstaande onderzoekers of onderzoeksgroepen, per persoon of groep, zijn de publikatiegewoonten niet wezenlijk veranderd. Er was in de afgelopen decennia wel steeds meer te doen voor een gestaag groeiende groep wetenschapsbeoefenaren. In plaats van kinnesinne op hen die wetenschappelijk werk doen en daarover publiceren, is het zinvoller je zorgen te maken over meer fundamentele zaken, en daarmee terug te keren naar de vragen in het begin. Zoals onlangs de Nederlandse fysici, die zich afvroegen of onze kennisvermeerdering onvermijdelijk zal leiden tot een 'communicatie-infarct'. Ook al is al het werk dat gepubliceerd wordt buitengewoon spannend, vernieuwend en bruikbaar, dan blijft het probleem: kunnen we het nog allemaal aan?

Ach, die wereldvreemde geleerden moeten niet zeuren, zeggen praktische no-nonsens lieden. Wat we nodig hebben is een betere 'kennistechnologie', en via 'kennisnetwerken' moeten we 'gerichte kennisdiffusie' bevorderen. Vooral dat laatste moeten de universiteiten beter gaan doen. Ze blijven maar in hun ivoren torens zitten!

Er is weinig veranderd in hun bereidheid kennis over te dragen. Een veelgehoorde mening van het Nederlandse bedrijfsleven, zoals twee weken geleden op een 'kennisnetwerkendag' in Den Haag nog bleek.

Niet veel respect voor onze universiteiten, kenmerkend voor dit land. Zo'n klimaat en de daarmee overeenstemmende houding van overheid en politici, kan niet anders dan tot een achterop raken van Nederland leiden.

We gaan eerst terug naar die enorme jaarlijkse oogst van vele honderdduizenden publikaties. Een groot gedeelte van deze publikaties verschijnt in internationale tijdschriften. De uitgeverswereld vaart er zeer wel bij. Daarnaast worden gegevens over publikaties en octrooien elektronisch opgeslagen in bestanden. Parallel aan de enorme groei in kennis, is er een zeer krachtige gegevens-technologie ontstaan die de toegankelijkheid van gepubliceerde kennis groter maakt dan ooit. In de meeste Westerse en andere geindustrialiseerde landen wordt zowel in de publieke als in de private sector een veel grotere aandacht dan in Nederland besteed aan deze kennistoegang. Zo is bijvoorbeeld in Frankrijk alleen al voor de landbouw een organisatie (Institut National de la Recherche Agronomique) die zich met honderden medewerkers richt op kennisexploitatie.

Bovengenoemde kennisopslag kan gezien worden als een wereldwijde bibliotheekachtige structuur. Maar er is meer. De opgeslagen kennis bergt zelf nieuwe kennis in zich. Stelt u zich het volgende voor. De honderdduizenden publikaties en octrooien die per jaar verschijnen zijn geen 'losse' gebeurtenissen. Elke publikatie is door verwijzing gekoppeld aan eerder werk. En elke publikatie heeft een of meerdere trefwoorden gemeenschappelijk met andere publikaties, uit het verleden, en met hedendaagse. Nieuwe kennis is in een buitengewoon groot en ingewikkeld netwerk met andere nieuwe kennis en met reeds bestaande kennis verknoopt. Elk jaar komen er zo'n tien miljoen verwijzingen bij, en ongeveer twintig miljoen trefwoord-relaties. Voor octrooien geldt ongeveer hetzelfde.

Maar wanhoop niet. Met geraffineerde wiskundige technieken en sterke computers zijn we in staat de hele zaak systematisch te ontrafelen. Wat er in feite gebeurt, is een zelf-organisatie van onze kennis. Niemand schrijft een indeling of classificatie voor. De wiskundige technieken zorgen ervoor dat een groot aantal bestaande maar verborgen relaties als het ware zichzelf uitkristalliseren tot kennispatronen, op elke gewenste schaal.

De resultaten zijn fascinerend. Van elk vakgebied kan een landschap gecreeerd worden, bestaande uit clusters van samenhangende trefwoorden. Een twee-dimensionale, semantische representatie van onze kennis. Omdat deze kenniskaarten gebaseerd zijn op gegevens uit geschreven werk, noemen we ze 'bibliometrisch'. We hebben het er in Leiden - als een van de weinige groepen in de wereld die dit kunnen - druk mee. Wat blijkt?

Elk vakgebied valt in grotere en kleinere deelgebieden uiteen. Er is een zeer karakteristieke grootte-verdeling (fractaal, voor de liefhebbers) die laat zien dat er geen voorkeursgrootte bestaat. Organisatie van de wetenschap in structuren met een opgelegde maat, zoals de Nederlandse overheid voorschrijft in haar beleid met de onderzoeksscholen, bestaat niet en is dus gewoon onzin.

Bezien we een tijdreeks van onze kenniskaarten, dan valt op hoe essentieel de rol van onderzoeksgroepen is. Precies datgene wat we zouden moeten koesteren, wordt in Nederland gebruuskeerd.

In dit land moet zo ongeveer iedereen mee kunnen doen, anders mag iets niet. In Duitsland wordt zonder blikken of blozen een compleet Max Planck Instituut opgericht rond een excellente onderzoeksgroep, in Frankrijk ondersteunt de CNRS haar nationale trots met vergelijkbare centres d'excellence, de Amerikaanse National Science Foundation heeft een speciaal programma gericht op de krachtige ondersteuning van toponderzoeksgroepen, enzovoort.

In Nederland zijn er kennelijk andere opvattingen hoe je met wetenschappelijke kwaliteit om moet gaan. De vaderlandse uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (R&D) zijn in tegenstelling tot de meeste andere Westerse landen sterk dalend, zowel bij het bedrijfsleven als bij overheid. Wie geen respect heeft voor wetenschappelijk werk, wie zijn geld liever aan andere prioriteiten geeft, moet niet zeuren als we flink achterop raken. Het antwoord aan klagende politici is dus ook eenvoudig: eigen schuld, dikke bult.

Dat er aan de universiteiten niets gebeurt aan doelgerichte kennisoverdracht, is lariekoek. De Nederlandse universiteiten hebben hun vooraanstaande positie als producent van wetenschappelijke kennis behouden, en op menig terrein versterkt, met name in belangrijke toepassingsgerichte gebieden (bijvoorbeeld materiaalkunde). Daarnaast is ook nog eens de onderzoekscapaciteit van de universiteiten met bijna vijftig procent toegenomen door extern gefinancierd onderzoek, dus veelal gericht op toepassing. Mede daardoor is er een gestaag toenemend aantal publikaties die gezamenlijk door universiteit en bedrijfsleven geleverd worden. Terwijl aan iedere werkende Nederlander bijna een niet-werkende is toegevoegd om 'te verzorgen', hebben twee universitaire onderzoekers een derde aan werk geholpen! En dit gebeurt geheel in het kader van 'bijklussende hoogleraren'. Wil minister Kok misschien even opletten voor hij op verkiezingstoernee weer tegen een universitaire deur trapt?

We zien nog meer op onze kenniskaarten. In vakgebieden met een intensieve wisselwerking tussen wetenschap en technologie is vaak de regionale structuur van cruciaal belang. Universitaire groepen werken samen met bedrijven dicht in de buurt. In dit opzicht is regionale samenwerking van veel groter belang dan internationale samenwerking. Deze regio's zijn veelal de agglomeraties van belangrijke universiteitssteden. In Frankrijk is er de ontwikkeling rond de 'technopoles' bijvoorbeeld Lyon, Bordeaux, Lille, Montpellier, Rennes. Een krachtig regionaal beleid is nodig, want universiteits- en bedrijfsterreinen overschrijden snel de zeer krappe gemeentegrenzen van de centrale stad. In vrijwel alle Westerse landen heeft een dergelijke versterking van de stadsregio, vooral die van 'kennis-intensieve' steden, topprioriteit. Voor het aantrekken van buitenlandse investeerders maakt het uit of men zich slechts als stad van 100.000 inwoners (het formele aantal in de gemeente van de centrale stad) of van 300.000 inwoners (het aantal mensen in de stadsagglomeratie) kan presenteren. De werkelijke stedelijke voorzieningen en de 'allure' van de stad worden uiteraard door het laatste aantal bepaald.

Maar in Nederland zou geen enkele stad het wagen zich zo te afficheren. Alle zustersteden in Europa doen het wel. Volgende week is er in Rennes een internationaal congres over de wisselwerking tussen universiteit en bedrijfsleven en de rol van stadsregio's. De burgemeester, Edmond Herve, heeft zijn welkomstwoord al klaar voor de vele buitenlandse gasten: 'A deux heures de Paris par TGV (mag in Nederland niet), Rennes est le centre d'une agglomeration de 330.000 habitants.'

Ziet u de burgemeester van Leiden al op deze wijze de innig geliefde randgemeenten 'meenemen' om zijn vermaarde 'kennis-intensieve' stad op ware grootte te kunnen aanprijzen? Nee. In dit land is het gebruikelijk dat juist de randgemeenten de centrale stad, waar ze hun gehele bestaan aan te danken hebben, zo veel mogelijk koeieneren. Niet alleen het slechte overheidsbeleid ten aanzien van onze universiteiten, maar ook het ogenschijnlijk daarmee nauwelijks verband houdend stadsregiobeleid gaat Nederland in internationaal verband de kop kosten.

    • Ton van Raan