Kabinet bezuinigt terwille van werkgelegenheid

Afgelopen dinsdag schreef redacteur Frank van Empel in het economiekatern dat het financieringstekort van de Nederlandse staat dankzij 'creatief boekhouden' laag wordt gehouden.

Minister-president Ruud Lubbers bestrijdt dat.

Uit het Centraal Economisch Plan (voor 1995) blijkt dat het huidige kabinet de koers voortzet van een zuinige en sobere begroting - om het financieringstekort en de lastendruk te beheersen. Uit dat Plan blijkt dat de doelstellingen van het regeerakkoord nagenoeg bereikt worden, zij het dat het een jaar langer heeft geduurd. Van 1990 op 1995 zal het financieringstekort - geschoond en wel - zijn teruggebracht met 1,8 procent van het Nationaal Inkomen.

Gezien de scherpe economische teruggang van de afgelopen jaren is de schade dus zeer beperkt gehouden.

Ook in 1995 is een strakke begroting nodig. Dat is pijnlijk voor alle ministers, maar het moet mogelijk zijn; zelfs bij de electorale zijwind van de naderende verkiezingen. Alle politieke partijen hebben immers in hun programma's verdergaande vermindering van de overheidsuitgaven bepleit.

Daarom moet de vrijwel demissionaire ploeg toch tot de nodige uitgavenbeperking komen. Bij die uitgavenbeperking stelt minister Kok inderdaad voor dat de bruto-inkomens volgend jaar niet of beperkt zullen stijgen, maar dat daartegenover wel een belastingverlaging in de eerste schijf zal staan. Dan zit het kabinet op de lijn van eerdere adviezen van de sociale partners, waar bepleit werd werkgelegenheid te bevorderen door via lastenverlaging inkomensmatiging aanvaardbaar en draagbaar te maken.

Het kabinet zit ook op de lijn van het CDA-program en op die van andere partijen, zoals de PvdA, die dit punt van de inkomensontwikkeling per jaar willen bezien. Het staat een volgend kabinet, ongeacht de partij-politieke samenstelling, natuurlijk vrij om de uitgaven in 1995 nog sterker te beperken en nog meer lasten te verlichten, maar dat is een afweging voor na de verkiezingen.

Het herstel van werkgelegenheid vraagt overigens om meer dan belastingverlaging en inkomensmatiging. Met name de zogenaamde onderkant van de arbeidsmarkt vraagt om veel meer flexibiliteit in onze economie. Kortom: werkgelegenheid is waar het om gaat en daar is het begrotingsbeleid volledig op gebaseerd.

Tegen deze achtergrond moest ik glimlachen bij het lezen van het artikel 'Creatief met Kok' van redacteur Frank van Empel (NRC Handelsblad, 29 maart). Hij tracht aan te tonen dat het kabinet creatief met cijfers omgaat. Dat slaat dan op het financieringstekort. Hoewel het mij in de eerste plaats gaat om werkgelegenheid, is het financieringstekort belangrijk genoeg om te reageren.

Van Empel deelt zijn artikel in zeven lessen in; een mooi bijbels cijfer. Ik loop zijn lessen na.

“Allereerst hanteert het kabinet - zo meldt het CPB - een aantal kasschuiven om in de jaren 1993-1995 het financieringstekort op het gewenste niveau te krijgen.” Dit is waar, maar dit is juist een uiting van soliditeit. De huisvader of de ondernemer die aan het eind van het jaar, na een zuinig uitgavenbeleid, besluit om enkele rekeningen die hij volgend jaar zou moeten betalen, dit jaar te betalen, is juist zuinig en behoedzaam. In les twee luidt het dan dat het kabinet een deel van de noodzakelijke structurele bezuinigingen spreidt over de jaren 1993 tot en met 1997. Dat klopt, en inderdaad, het zou nog 'solider' zijn geweest de uitgaven in 1994 nog meer te laten dalen ten opzichte van 1993 dan nu het geval is. Daarmee - en dat zegt Van Empel er niet bij - zou het financieringstekort in dat jaar juist ruim onder het beoogde niveau zijn gekomen. Hadden we vervolgens ook nog les één van hem gevolgd, dan was het tekort nog lager uitgekomen. Prachtig, maar dat heeft dan weinig te maken met je aan de normen houden. Anders gezegd, is het juist geen 'creatief schrijven' te suggereren dat het tekort in 1993 en 1994 5 miljard boven de norm ligt, terwijl ieder kan zien dat het tekort in 1994 en 1995 slechts 2,5 miljard boven de norm zal liggen; waarbij dit nog veroorzaakt wordt door de prioriteit gegeven aan lastenverlichting, resp. het terugbrengen van de lastendruk naar het niveau van 1990?

Dit brengt mij tot les drie. Die gaat over het leggen van een rookgordijn door de incidentele dekking (verkoop staatsbezit, etc.). Inderdaad, het is waar dat deze dekking in 1994 en ook in 1995 van grote betekenis is. Deze zal overigens in 1995 - de strenge begroting dus die we nu aan het maken zijn - niet groter zijn dan in de laatste begroting die Lubbers-II maakte; die voor 1990 dus. Bovendien wordt verzuimd te vermelden, dat inmiddels verkoop van staatsbezit, zoals bijvoorbeeld de op handen zijnde zeer belangrijke verkoop van een deel van het overheidsbelang in de KPN ( PTT), aangewend zal worden voor grote investeringsprojecten; en dus juist niet verjubeld. Anders gezegd, het zuinige uitgavenbeleid maakt het mogelijk meer te doen aan investeringen, in infrastructuur.

Dit brengt mij tot les vier. Daarin lees ik dat het saldo van meer en minder uitgaven gedurende dit kabinet slechts 8 miljard gulden zou zijn. Ik neem aan dat bij dit cijfer niet meegerekend is de scherpe taakstelling die de ministers precies dit voorjaar met het oog op de begroting 1995 aan het invullen zijn. Maar los daarvan mag ik Van Empel suggereren eens even over de grenzen te kijken en te zien wat daar de laatste jaren het effect is geweest van de scherpe economische teruggang op de overheidsuitgaven. Ten opzichte van 1990 is het overheidstekort (inclusief sociale zekerheid) in Duitsland inmiddels verdubbeld, in Frankrijk zelfs verdrievoudigd, terwijl het bij ons geschoond en ongeschoond is teruggelopen. Anders gezegd, het bijzondere is niet dat er slechts x-miljard minder uitgegeven is, maar dat er ondanks de economische stagnatie een beleid van minder uitgeven tot stand is gekomen; en dat dit ook in de begroting 1995 doorgezet wordt.

Zo kom ik aan les vijf. Die luidt: “Praat veel over bezuinigingen, maar verhoog intussen de lasten.” Inderdaad, in het begin van deze kabinetsperiode kwam het tot lastenverzwaring, maar het lijkt mij niet minder belangrijk te vermelden dat het in de tweede helft van deze kabinetsperiode tot lastenverlichtende maatregelen komt. Daardoor wordt het mogelijk in 1995 weer vrijwel terug te zijn op het lastendrukniveau van 1990. Een bijzonder punt - en daarin heeft Van Empel gelijk - is de lastenstijging bij de overige publiekrechtelijke lichamen (provincies, gemeenten). Daar zien we inderdaad forse lastenstijging en het antwoord daarop is nog niet gegeven. Het is ook niet gemakkelijk dat te geven, want die lastenstijging hangt sterk samen met de verbetering van de milieu-kwaliteit in onze samenleving. Kosten en baten moeten nog eens goed tegen elkaar worden afgewogen, waarbij ook op dat overheidsniveau de kwestie of milieu-kostende kwaliteitsverbetering niet vraagt om bezuinigingen elders, aan de orde moet komen.

Dan les zes. Die gaat over de WAO. “Zwijg over de problemen die je als kabinet niet hebt kunnen oplossen en die waarschijnlijk voor nieuwe tegenvallers gaan zorgen.” Dat komt dan, zo vervolgt Van Empel, omdat CAO-partners besloten tot bijverzekeren. Dit is wel een boeiend punt. Het gaat hier immers om een verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Het kabinet deed alles wat het moest doen in de wetgeving, maar we zijn geen totalitair systeem. Werkgevers en werknemers kunnen dus afspraken maken voor bijverzekeren. Staatsrechtelijk en maatschappelijk hygiënisch denken leidt er dus toe, dat dit probleem niet aan de overheid geadresseerd moet worden. Je kunt bijverzekeren niet bij wet verbieden.

Dan les zeven. Die luidt “Stuur de loononderhandelingen richting nullijn terwille van de wens de uitkeringen in de pas te laten lopen met de lonen.” Deze veronderstelling is bizar. Uit alles blijkt immers dat het sturen van de loononderhandelingen naar de nullijn, ondersteund door belastingverlaging in de eerste schijf, nu juist gebeurt met het oog op meer werkgelegenheid. Daarmee ben ik terug bij het begin van het relaas, de bewuste beleidskeuze van het kabinet dit voorjaar om de lasten met meer dan 4 miljard te verlagen ten gunste van de werkgelegenheid. Die keus komt zeker niet in mindering op de uitgavendiscipline.

Als ik het geheel van de lessen van Frank van Empel overzie, dan stel ik daar één les tegenover. Dat is de les van Zijlstra. Die luidt als volgt: laat je niet van de wijs brengen door allerlei presentaties en toerekeningen, maar kijk gewoon hoe de reële overheidsuitgaven zich ontwikkelen. Gaan die omhoog of sterk omhoog, dan is er plaats voor kritiek. Ze zullen dit en volgend jaar omlaag gaan. Of zoals ze in de voetballerij zeggen: 'Goed naar de bal kijken en laat je niet afleiden door allerlei schijnbewegingen (bespiegelingen) van hen die je links of rechts willen passeren.'

Welnu, naar die maatstaf gemeten is er in de opeenvolgende kabinetten - inderdaad met vallen en opstaan - sprake van een toenemend accent op uitgavenbeheersing en daardoor meer ruimte voor beheersing van het financieringstekort en lastenverlichting met het oog op werkgelegenheid. Het CDA wil die lijn verscherpt doorzetten; met inkomensmatiging en al; voor iedereen dan wel te verstaan.

Voldoende werkgelegenheid is immers voorwaarde bij uitstek voor behoud van voorzieningen en zekerheid in een goed ingerichte samenleving.