IRT (1)

De Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt is één van de hoofdrolspelers in de bedroevende IRT-affaire.

Op de keper beschouwd is er wel wat aan de hand met deze ambtenaar in politiek vaarwater. Hem is in de context van topprioriteit aan de bestrijding van de criminaliteit veel krediet en speelruimte geschonken. Nu voldoende bekend is geworden over de heersende slechte mentaliteit bij de Amsterdamse politie, is het toch niet teveel gevraagd om van de Amsterdamse hoofdcommissaris te eisen een culturele revolutie binnen eigen politiegelederen tot stand te brengen en zijn eigen ego eindelijk eens ondergeschikt te maken aan het belang van samenwerking met de buitenwacht. Hoe kan iemand na het verschijnen van het vernietigende rapport van de commissie-Wierenga nog om de vraag heen: Zit op zo'n belangrijke stek de juiste man wel op de juiste plaats? Die vraag is toch veel meer ter zake dan de slappe kwalificatie van regeringszijde dat er fouten zijn gemaakt. Zo'n uitlating is een belediging van de ernst van de zaak waarbij de georganiseerde misdaad nog een tijdje lachende derde kan zijn. Van Thijn komt nu vertellen: of Nordholt kan aanblijven hangt af van een te houden functioneringsgesprek. Is dit geen cynische move in de wetenschap dat Nordholts vroegere baas en thans minister van binnenlandse zaken hem als een oogappel wil sparen? Ik vind het overigens van dom simplisme getuigen dat hoe meer dominostenen vallen des te groter de sanering is. Zo heb ik veel meer vertrouwen in de leerbereidheid van minister Hirsch Ballin dan in die van Nordholt. Ik hoop dat een bepaald slag kiezers dat maatschappelijk zeer geïnteresseerd is en grondig nadenkt over zorgelijke ontwikkelingen toch nog eens de mentale blokkade naar het stemhokje opgeheven mag zien.