Het broeikaseffect en de nieuwe ijstijd

Het broeikaseffect, waar beleidsmakers zo sterk de aandacht op vestigen, staat wetenschappelijk steeds wankeler. Chemici breken zich het hoofd over de stabilisatie van broeikasgassen als CO22 , methaan en lachgas. En oceanologen wijzen op het tot stilstand komen van de 'Grote Pomp', waardoor Europa een nieuwe IJstijd staat te wachten.

Atmospheric Change. An Earth System Perspective. T.E. Graedel en Paul J. Crutzen. (W.H. Freeman and Company, New York, 1993)

Essentials of oceanography. Harold V. Thurman. (Macmillan Publishing Company, New York, 1993)

Climate Change. The IPCC Scientific Assessment. J.T.Houghton et al. eds. (Cambridge University Press, Cambridge, 1990)

Idem Supplement 1992.

The changing atmosphere. A global challenge. John Firor. (Yale University Press, New Haven, 1990)

Het doorslaggevende bewijs dat menselijk handelen via een versterkt broeikaseffect een klimaatsverandering kan teweegbrengen, is verder weg dan het in jaren heeft geleken en kan nog enige decennia uitblijven. De verwachting dat al binnen een decennium een bewijs van een antropogene klimaatsbeinvloeding zou zijn te leveren is de bodem ingeslagen. Het optimisme dienaangaande van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zal moeten worden bijgesteld.

Een veelheid van nieuwe waarnemingen en berekeningen aan broeikas-gerelateerde processen heeft belangrijke schade toegebracht aan de voorspellende waarde van de talrijke klimaatmodellen die in de loop van de laatste tien jaar zijn ontwikkeld om het effect van de stijgende concentraties broeikasgassen op de oppervlaktetemperatuur van de aarde aan te geven. Het meest sensationeel is de waarneming dat de decennia-lange stijging van de atmosferische concentraties van de drie belangrijkste broeikasgassen (kooldioxyde, methaan en lachgas) is omgeslagen in een stabilisatie waarvoor tot dusver geen bevredigende verklaring is gevonden. Vorige week werd bekend gemaakt dat ook de concentratie koolmonoxyde in de atmosfeer niet langer stijgt.

Begin deze maand maakten Britse onderzoekers de eerste resultaten bekend van een oceanografisch expeditie naar een zeegebied dat ruwweg ligt tussen Groenland, IJsland en Spitsbergen. Ze stelden niet alleen vast dat daar de laatste jaren steeds minder ijs wordt gevonden maar ook dat dit kennelijk zijn weerslag heeft op het zogeheten 'afzinken' van het zeewater in die omgeving, de motor achter een oceanische circulatie waaraan mondiale invloed wordt toegeschreven. Op den duur zou het de aanvoer van warm water via de Golfstroom in gevaar kunnen brengen, waarschuwden zij, en zelfs zou Europa op korte termijn een overgang naar een koeler klimaat kunnen verwachten.

Extra aanwijzingen daarvoor werden halverwege vorig jaar gevonden in nieuwe boorkernen die uit het landijs van Groenland omhoog zijn gehaald. Uit de analyse van het ijs, dat materiaal van de twee laatste ijstijden bevat, blijkt dat zich niet alleen tijdens de ijstijden maar ook tijdens het interglaciaal daartussen veel grotere en abruptere klimaatschommelingen hebben voorgedaan dan tot nu toe werd aangenomen. In een voorlopige conclusie worden ze toegeschreven aan oceanische invloeden, zoals een verminderde afzinking bij IJsland.

Aan de andere kant van de wereld zorgde de ongekende hardnekkigheid van de laatste El Nino voor grote verwarring. El Nino is de aanduiding voor een warme zeestroom die gemiddeld eens per drie of vier jaar een jaarlang de koude visrijke Perustroom verdringt en grote regionale weersverslechtering teweeg brengt. El Nino is zowel oorzaak als gevolg van omvangrijke, periodiek terugkerende, meteorologische veranderingen rond de Stille Oceaan die met de term Southern Oscillation worden aangeduid. Hun invloed strekt zich uit tot voorbij Indonesie en tot aan Noord-Amerika en is vaak zo catastrofaal voor de plantengroei dat het zijn weerslag heeft op de CO22 -huishouding van de atmosfeer. In de loop van de jaren heeft men de komst van El NiNo leren voorspellen en dat hij in de loop van 1991 zou verschijnen was voorzien. Dat hij daarna niet meer verdween dreef de spot met alle computerprogramma's. Pas in januari van dit jaar nam de koude Peru-stroom weer zijn oude plaats in (Science, 4 februari: El Nino says adios.) In eigen omgeving zorgt het KNMI voor verwarring door behoedzaam afstand te nemen van de mededeling van maart vorig jaar dat de uitzonderlijk warme jaren 1988, 1989, 1990 en 1992 aanwijzingen opleverden voor 'een klimaatverandering passend in het beeld van een temperatuurstijging door het broeikaseffect'. In een nog te verschijnen artikel van onderzoeker Albert Klein Tank wordt aannemelijk gemaakt dat de ongewone temperaturen ook, en vrijwel volledig, zijn toe te schrijven aan afwijkende circulatiepatronen. Een versterkte toestroming van warme lucht levert op zichzelf geen enkele aanwijzing op voor een mondiale temperatuurstijging, al zou het daarvan een gevolg kunnen zijn.

Het KNMI sluit zich kennelijk weer aan bij de gevestigde opvatting dat analyses van lokale temperatuurreeksen nooit een bijdrage kunnen leveren aan het bewijs van een versterkt broeikaseffect. Het afgelopen jaar (1993) was weliswaar 0,2 graad warmer dan gemiddeld maar bij lange na niet zo extreem warm als de vier warmste jaren van de eeuw.

Inmiddels is een situatie ontstaan waarin uit menselijke activiteiten bijna net zo makkelijk een afkoeling als een versnelde opwarming van het Europese continent is te voorspellen. Niet dat dat gebeurt: de meeste broeikasdeskundigen geven hun artikelen tegenwoordig een open eind. Broeikas-paus Stephen Schneider riep de vakgenoten onlangs op toch vooral een onderscheid te maken tussen het aantonen van een klimaatverandering en het aanwijzen van menselijk handelen als de oorzaak daarvan (Science, 21 januari). Net op tijd: deze maand verzocht IPCC-voorzitter Bert Bolin de honderden onderzoekers materiaal in te zenden voor de tweede Assessment van het broeikas-effect die in september 1995 moet verschijnen.

Mauna Loa

De recente verwarring onder broeikas-deskundigen begon in de loop van de vorige zomer. Eind juli maakte David Keeling op een congres in Snowmass, Colorado, bekend dat in de decennialange stijging van het CO22 -gehalte van de atmosfeer een kentering was opgetreden die in de 35 jaar dat de CO22 -metingen nu gaande zijn zijn weerga niet kende. Keeling is al sinds het internationale geofysisch jaar 1958 betrokken bij de nu langst lopende ononderbroken reeks metingen aan het kooldioxyde-gehalte vanaf een station op de flank van de vulkaan Mauna Loa op Hawai. De laatste jaren steeg het CO22 -gehalte van de atmosfeer jaarlijks met ongeveer 0,4 procent (voornamelijk toegeschreven aan de inzet van fossiele brandstoffen, veranderd landgebruik en fabricage van cement) maar in de loop van 1991 trad een stabilisatie op die de zojuist opgang gekomen El Nino bij Peru niet wist aan te tasten. De voornaamste onregelmatigheden in de CO22 -metingen zijn tot nu toe steeds aan El Nino toegeschreven.

Nog voor de eerste speculatieve verklaringen voor het bizarre verschijnsel in de wetenschappelijke literatuur verschenen meldde New Scientist (9 oktober) dat onderzoekers in Australie en Nieuw Zeeland hadden vastgesteld dat ook de atmosferische concentratie methaan (CH4 ) niet langer steeg. Sinds 1945 is het methaangehalte van de atmosfeer verdrievoudigd met een groeisnelheid die in de jaren zeventig ongeveer 1,1 procent per jaar was en in de jaren tachtig terugliep tot 0,6 procent per jaar. In Geophysical Research Letters (1 januari), dat de waarneming opnam, wordt genoteerd dat de atmosferische methaanconcentratie van het noordelijk halfrond in de periode 1983 tot 1991 nog toenam met ongeveer 11,6 ppbv (delen per miljard volumedelen) per jaar maar in 1992 met een stijging van slechts 1,8 ppbv stabiliseerde. Op het zuidelijk halfrond was de stabilisatie veel minder uitgesproken.

Vorige week bracht Science (18 maart) het nieuws dat Amerikaanse onderzoekers hadden vastgesteld dat ook aan de stijging van het gehalte koolmonoxyde (CO2) van de atmosfeer een einde was gekomen. Nam de concentratie CO2 jarenlang toe met een a twee procent per jaar, de afgelopen twee tot vijf jaar was dat omgeslagen in een daling van het CO2-gehalte. Vooral de abrupte afname van de CO2-concentratie die omstreeks 1991 rond de tropen begon wordt opmerkelijk genoemd. (Overigens heeft CO2 geen broeikas-eigenschappen.) In een redactioneel commentaar van hetzelfde nummer van Science, waarin gepoogd wordt een verband te leggen tussen de verschillende waarnemingen, wordt nog gemeld dat ook de concentraties lachgas (N2 O) niet langer met 0,3 procent per jaar toenemen maar sinds 1991 stabiliseren. De waarneming is tot nu toe niet gepubliceerd maar wordt bevestigd door dr. R.M. van Aalst, hoofd van het laboratorium voor luchtonderzoek van het RIVM in Bilthoven. Het meteorologisch observatorium van Jungfraujoch heeft, bericht hij, hetzelfde gevonden. Van Aalst voegt eraan toe dat ook de concentratie troposferisch ozon (wel te onderscheiden van het stratosferisch ozon dat wordt aangetast door cfk's en dergelijke) de laatste jaren afneemt. Troposferisch ozon is ook als een broeikasgas te beschouwen.

Op een congres over 'Non-CO2I-greenhouse gasses' in Maastricht (afgelopen december) is door Paul Crutzen van het Max-Planck-Institut fur Chemie in Mainz voor het eerst aandacht gevraagd voor een mogelijke samenhang tussen de verschijnselen, maar sinds die tijd is nog weinig helderheid ontstaan. Zoals dat het plotselinge herstel van de ozonlaag boven het noordelijk halfrond overkwam, blijkt de verleiding bijna onweerstaanbaar om de verklaring in de uitbarsting van de Filippijnse vulkaan Pinatubo (juni 1991) te zoeken. Met een tour de force worden Pinatubo-gerelateerde mechanismen bedacht die de verschijnselen zouden kunnen verklaren.

De ijzerhoudende stofneerslag van de Pinatubo zou de algengroei in de oceanen hebben gestimuleerd waardoor meer CO2 dan gewoonlijk zou zijn opgenomen. Uit het door de vulkaan uitgestoten SO2 -gas zou sulfaataerosol zijn ontstaan dat, door aantasting van het stratosferische ozon, de belasting van de lagere atmosfeer met ultraviolette straling zo zeer verhoogde dat grote hoeveelheden OH-radicalen waren gevormd. Deze, 'de grote schoonmakers van de atmosfeer', zouden een deel van de gassen, zoals methaan en koolmonoxyde, versneld hebben omgezet.

Anderen schrijven een belangrijke invloed toe aan de mondiale afkoeling die de vulkaanuitbarsting met zich mee bracht. De Pinatubo-stofwolken werden diep de stratosfeer ingeblazen en hebben daar twee tot drie jaar lang veel zonlicht teruggekaatst. De tijdelijke mondiale afkoeling wordt geschat op 0,5 graden en het lijkt dr. W. Helder, hoofd afdeling chemische oceanografie van het NIOZ op Texel, niet onwaarschijnlijk dat dit heeft geleid tot een verhoogde opname van sommige gassen in de eveneens afgekoelde oceanen, of een verminderde emissie van de gassen uit de oceaan door beinvloeding van het stelsel van lokale upwellings. “Upwellings fungeren als schoorstenen voor veel sporegassen.” In het verlengde van deze gedachtengang ligt natuurlijk ook de veronderstelling dat de ongewone El Nino van de laatste jaren de verklaring kan geven.

KNMI-meteoroloog Baltus Zwart, juist begonnen aan een literatuurstudie naar de vermeende invloed van zware vulkaanuitbarstingen op de mondiale temperatuur, is van ordeel dat steeds al te gemakkelijk onbegrepen effecten aan uitbarstingen worden toegeschreven. Voor zover er al een temperatuureffect gevonden wordt dat in tijd redelijk samenvalt met een uitbarsting, is het bijna altijd onmogelijk die onweerlegbaar aan de vulkaanuitbarsting toe te schrijven. “Klimaten zijn van nature veel minder constant dan gewoonlijk wordt aangenomen en het zou wel eens kunnen dat hun temperatuurinvloed nooit statistoisch significant boven de natuurlijke fluctuaties in de temperatuur uitstijgen.”

Opvallend is dat beruchte naoorlogse uitbarstingen als die van de Gunung Agung (Bali, 1963), de Mount St.Helens (Verenigde Staten, 1980) en de El Chichon (Mexico, 1982) veel minder duidelijke effecten op de genoemde gassen hebben gehad, terwijl toch aan de El Chichon ook een tijdelijke mondiale afkoeling van 0,5 graden wordt toegeschreven. Van Aalst beschouwt pogingen om een gemeenschappelijke verklaring te vinden voor het gedrag van kooldioxyde, methaan, lachgas en koolmonoxyde op voorhand als verspilde moeite. Daarvoor zijn er te grote verschillen in de sources and sinks (bronnen en afvoer) en in de atmosferische dynamiek van de gassen.

Lachgas bij voorbeeld kent als intermediair in bacteriele nitrificatie en denitrificatie vooral een biotische bron. (Daarnaast komt het vrij uit autokatalysatoren en nylon-produktie) Koolmonoxyde ontstaat bij verbranding van fossiele brandstoffen en biomassa en is voor een belangrijk deel ook te zien als een atmosferisch oxydatieprodukt van methaan. Methaan, op zijn beurt, komt vrij uit moerassen, vuilnishopen, de pens van herkauwers, steenkolenmijnen en lekkende aardgasleidingen. Inderdaad wordt de stabilisering van de methaan-concentratie ook, ja: vooral, toegeschreven aan het dichten van de lekken in het Russische net van aardgasleidingen. De buitenstaander ontkomt niet aan de indruk dat de meeste atmosfeer-chemici met de handen in het haar ziten.

Gelukkig kunnen zij zich troosten met de gedachte dat aan de anomalie inmiddels weer een einde lijkt te komen, zoals in het congres-circuit valt te vernemen, en op den duur kan worden afgedaan als een kleine storing in de tijdreeksen die men nu eenmaal niet van jaar tot jaar moet trachten te verklaren. Van Aalst: “Eigenlijk moet je geen trends willen verklaren die niet minstens tien jaar aanhouden.”

GRIP-boorkern

Het andere deel van de waarnemingen dat de grondvesten van de bestaande klimaatmodellen aantast, zal minder makkelijk zijn te negeren. In Nature van 15 juli werd de voorlopige uitslag bekend gemaakt van het onderzoek aan de zogeheten GRIP-boorkern die Europese onderzoekers in het kader van het Greenland Icecore Project tussen 1990 en 1992 uit het landijs van centraal Groenland boorden(bij Summit, het hoogste punt van de Groenlandss ijskap). De GRIP-boorkern, met een lengte van ruim drieduizend meter, bestaat uit verijsde sneeuw die luchtinsluitsels tot 250.000 jaar oud bevat. De boorkern is, samen met de GISP2-kern die Amerikaanse onderzoekers in hun Greenland Ice-Sheet Project nog geen 28 kilometer verderop vrijwel tegelijkertijd omhoog haalden, op dit moment de langste boorkern die uit landijs is geboord. De vermaarde Vostok-ijskern die begin jaren tachtig door Russische onderzoekers uit het landijs van de zuidpool is gehaald gaat niet verder terug dan 160.000 jaar.

De GRIP en GISP2 bevatten materiaal dat twee complete ijstijden (het Weichselien en het Saalien) omvat en tegelijk een beter - en ander - licht werpt op het interglaciaal tussen die twee (het Eemien) dan de Vostok-kern deed. Niet alleen blijkt het Eemien langer te hebben geduurd dan tot dusver werd opgegeven (niet 12.000 jaar maar eerder 20.000 jaar), maar uit het isotopenonderzoek (de verhouding OS,1 S,8 tot OS,1 S,6 ) van het ijs is naar voren gekomen dat ook het klimaat tijdens het Eemien veel minder stabiel was dan tot nu toe werd aangenomen. Vooral dat laatste heeft voor grote opschudding gezorgd.

In het Eemien, dat graag als model voor het huidige interglaciaal wordt gebruikt (hoewel het Eemien gemiddeld een paar graden warmer was dan nu) blijken zich zeer sterke en zeer plotselinge klimaatwisselingen te hebben voorgedaan. In het huidige interglaciaal, dat nu bijna 12.000 jaar duurt, zijn beduidende klimaatwisselingen tot nu toe uitgebleven. In het Eemien kon de gemiddelde temperatuur binnen een tot drie decennia met wel tien graden dalen. Deze waarneming, en de constatering dat zulke abrupte veranderingen zich niet voordeden aan de zuidpool (althans niet in de Vostok-kern zijn terug te vinden) heeft onverwacht krachtige steun gegeven aan een theorie die vooral door het populariserend werk van Wallace Broecker bekend is geworden: de stelling dat geleidelijke klimaatveranderingen op den duur aanleiding kunnen geven tot een veranderd stromingspatroon in de Atlantische Oceaan dat dan op zijn beurt een veel abruptere en krachtiger, maar meer lokale klimaatverandering kan opwekken.

Thermohaliene circulatie

Centrale rol in de theorie speelt de zogeheten thermohaliene circulatie, die in Angelsaksische literatuur ook wel met de 'conveyor belt' (transportband) wordt aangeduid. Het is een niet direct-meetbare zeer langzame oceanische stroming die door het boven al genoemde 'afzinken' van relatief zout en/of koud zeewater in 'afzinkgebieden' in stand wordt gehouden. Tot nu toe zijn slechts vier van zulke afzinkgebieden getraceerd: twee ter weerszijden van Groenland, een ten westen van de Middellandse Zee en een in de Weddell-zee bij de zuidpool. De vorming van 'North Atlantic Deep Water' ten noorden van IJsland, overigens al in de jaren twintig door de Duitse Meteor-expeditie ontdekt, wordt toegeschreven aan twee min of meer onafhankelijke mechanismen die in dezelfde richting werken. In de eerste plaats zorgt de windgedreven Golfstroom voor een constante aanvoer van relatief zout, maar nog tamelijk warm water dat, eenmaal voldoende afgekoeld zo'n hoge dichtheid bereikt dat het zwaarder wordt dan het omringende water. Bovendien stijgt bij het bevriezen van de zee het zoutgehalte van het zeewater, omdat geen zout in het ijs wordt opgenomen. Ook daardoor stijgt de dichtheid van het water. Zoutgehalte en temperatuur zijn de grootheden die de circuatie beheersen.

Aan het bestaan van de circulatie, die zich vanuit de Atlantische Oceaan uitstrekt tot in de Indische en de Stille Oceaan, wordt niet getwijfeld. Ook de grote invloed die de thermohaliene circulatie heeft op de mineralenhuishouding van de oceanen staat buiten discussie. Zelfs wil men wel aannemen dat de de circulatie van invloed is op de chemische samenstelling van de atmosfeer omdat de 'conveyor belt' de in oppervlakkig zeewater opgeloste gassen voor duizenden jaren in de diepte kan opsluiten.

In december 1987 poneerde Broecker voor de herfstbijeenkomst van de American Geophysical Union zijn stelling dat zich in het (geologisch) verleden van de aarde plotselinge veranderingen in de intensiteit van de circulatie hadden voorgedaan en dat die de tot dusver onbegrepen tekorten van de astronomische verklaring van de ijstijden (wijzigingen in de aardbaan en stand van de aardas) zouden kunnen wegnemen. Ook de plotselinge kortstondige terugkeer van de kou aan het eind van de laatste ijstijd, het Dryas-stadiaal, zouden ze kunnen verklaren. (Scientific American, januari 1990)

Het enthousiasme van Broecker, die zelf geen kwantiatieve onderbouwing van zijn theorie kon geven, heeft een hele reeks theoretische onderzoekers ('oceaan dynamici') geinspireerd tot het ontwerpen van modellen waarmee de levensvatbaarheid van zijn idee zou zijn te toetsen. De verrasende uitkomst van het werk is dat de conveyor belt inderdaad zeer gevoelig is voor kleine verstoringen. Het Max-Planck-Institut fur Meteorologie in Hamburg kon aannemelijk maken dat door de massale aanvoer van smeltwater tegen het eind van de laatste ijstijd het zoutgehalte van het zeewater in het afzinkgebied bij Groenland zo laag werd dat de afzinking wel moest stoppen. De 'Grote Pomp' kwam daarmee tot stilstand en de aanvoer van warm water van lager breedte verminderde zo sterk dat het zijn weerslag had op het klimaat.

Inmiddels verschijnt in Science en Nature het ene na het andere artikel met de uitkomsten van modelstudies aan de circulatie en dringt zelfs Broecker (Nature, 3 februari) op enige relativering aan. Maar zoveel lijkt wel duidelijk dat het stelsel van diepwaterstromingen in de Atlantische Oceaan inherent instabiel is en door relatief kleine gebeurtenissen, zoals plotseling toenemende regenval, uit zijn evenwicht kan worden gebracht en dan grillige oscillaties gaat vertonen die eeuwen kunnen aanhouden. Van belang is dat dit zeer snel, binnen enige decennia, op gang kan komen. Met alle gevolgen voor het klimaat in de gebieden die onder invloed staan van de stroming, Groenland voorop.

Behalve de modelstudies heeft nu dus ook het onderzoek aan de Europese GRIP-ijskern steun gegeven an de theorie van Broecker. (Aan het pijnlijke gegeven dat de Amerikaanse GISP2 ijskern een andere beschrijving geeft van het Eemien wordt kennelijk niet al te zwaar meer getild. Men schrijft het toe aan plooiing van de onderste ijslagen, zie Nature, 9 december: Two cores are beter than one.) Hoewel die theorie daarmee nog niet zomaar 'geaccepteerd' mag heten plaatst het de bevindingen van de recente oceanografisch expeditie naar het afzinkgebied ten noorden van IJsland in een bijzonder licht.

Stagneren

Begin deze maand maakte Peter Wadhams, directeur van het Scott Polar Research Institute in Cambridge, op een congres in Brighton bekend dat de aanwijzingen steeds sterker worden dat de vorming van North Atlantic Deep Water ten noorden van IJsland begint te stagneren. De laatste tien jaren blijkt het zinkende oppervlaktewater steeds minder grote diepten in de oceaan te kunnen bereiken. Werd het gezonken oppervlaktewater in 1984 nog op 4000 meter teruggevonden, in 1989 was dat nog maar de helft daarvan en bij de zojuist afgesloten expeditie bleek het niet dieper dan circa 1000 meter te komen.

Wadhams schrijft het toe aan de ook door satellieten geconstateerde opwarming van de Groenland Zee en in het bijzonder aan het geleidelijk verdwijnen van een omvangrijke ijsmassa die zich ter hoogte van de 74e breedtegraad ten oosten van Groenland uitstrekt: de Odden Ice Tongue of Odden Feature. Nu steeds minder ijs wordt gevormd in het oude afzinkgebied zal ook het zoutgehalte van de zee er niet meer tot de oude waarden oplopen en zal het afzinken verminderen.

Kortom: de 'Grote Pomp' begint langzamer te lopen, een ontwikkeling die door het Max-Planck-Institut fur Meteorologie in Hamburg al enige jaren geleden werd voorspeld (NRC Handelsblad, 15 juli 1992) en bij Duitse meteorologen nieuwe aanhangers kreeg door de uitkomsten van het GRIP-onderzoek (Naturwissenschaftlichen Rundschau, november 1993). Wat het gevolg kan zijn voor het klimaat van Groenland en Europa durven weinigen te voorspellen. Wadhams verwacht zeker niet zulke dramatische effecten als de GRIP-boorkern in het Eemien heeft gevonden. Het gaat hier maar om een relatief klein gebied met een beperkte invloed, zegt hij desgevraagd voorzichtig. De theorie voorspelt een paradox: door het broeikaseffect treedt lokaal minder ijsvorming op in de Groenland Zee, de convectie naar de diepzee vermindert en de Golfstroom verliest een deel van zijn natuurlijke afvoer. Ook de aanvoer van warm water vermindert dus en zo zou op den duur de temperatuur van het oppervlaktewater van het noorden van de Atlantische Oceaan kunnen dalen. In Europa kan een overgang naar een koeler klimaat optreden.

In wetenschappelijke kring zijn de bevindingen en conclusies van Wadhams met grote scepsis ontvangen. Geraadpleegde oceanologen (New Scientist, 19 maart) wijzen erop dat het afzinkgebied ten westen van Groenland (de Labrador Zee) nog geen enkel teken van vitaliteitsverlies vertoont en dat het een stap te ver gaat om uit een geconstateerde verminderde convectie bij IJsland een vertraagde gang van de conveyor belt te voorspellen. Anderen, waaronder de fysisch geograaf prof.dr. W.P.M. de Ruijter in Utrecht, spreken de vrees uit dat Wadhams de natuurlijke variatie in diepwater-vorming bij IJsland voor een uniek verschijnsel aanziet. Veel te bewijzen valt er niet op dit punt: er wordt pas sinds de oorlog systematisch aan de vorming van het North Atlantic Deep Water gemeten.

Kleine IJstijd

Wie zich mocht verheugen over het feit dat Europa dus naar enige waarschijnlijkheid op korte termijn hooguit een 'Kleine IJstijd' krijgt te verduren zoals die aan het eind van de middeleeuwen tot ontwikkeling kwam, kan nieuwe zorg putten uit weer een ander inzicht in de broeikas-problematiek waarvoor Scientific American in februari aandacht vroeg. Er wordt steeds meer belang toegekend aan een type industriele lozing dat niet een verwarmend maar een koelend effect heeft op de onderste luchtlagen in de atmosfeer: de lozing van SO2 , vooral bekend als veroorzaker van zure regen. Onderzoek heeft aangetoond dat veel SO2 na reacties met natuurlijke bestanddelen van de lucht en opname van water terecht komt in druppeltjes ammoniumsulfaat die als sulfaat- aerosol geruime tijd in de atmosfeerr aanwezig kunnen blijven en daar het albedo, het reflecterend vermogen van de aarde, meetbaar kunnen verhogen. Omdat de sulfaatdruppeltjes ook werken als condensatiekernen voor de vorming van wolken kunnen ze bovendien het weerkaatstend vermogen van wolken doen toenemen. Sulfaatwolken zouden witter zijn dan gewone wolken. Naar schatting kan de sulfaatnevel, die boven het noordelijk halfrond dichter is dan boven het industrie-arme zuiden, ongeveer 1 watt per vierkante meter aan kortgolvige zonnestraling tegenhouden. Dat is, noteerde het IPCC al in 1992, van dezelfde orde van grootte als de hoeveelheid langgolvige infrarode straling (uitgezonden door de aarde) die de verschillende broeikasgassen samen tegenhouden: 2,5 watt per vierkante meter. Het fenomeen zou kunnen verklaren waarom de aarde de laatste honder jaar minder is opgewarmd dan berekingen voorspelden en waarom de geconstateerde verwarming vooral op het zuidelijk halfrond werd gevonden.

Maar een pijnlijke consequentie is dat de op gang gebrachte maatregelen ter beperking van de SO2-uitstoot in de nabije toekomst tot een snel intredende extra opwarming zal kunnen leiden. Dat bestrijding van de zure regen het broeikaseffect versterkt zou beleidsmakers in verwarring kunnen brengen, schrijft Scientific American. Het is niet de enige nieuwe onzekerheid die de politiek wordt aangeboden. Maar, zoals Bert Bolin al in zijn 'call for papers' schreef, verdoezeling van de controverses zou waarschijlijk een averechts effect hebben.