Groningse praalgraven; Betrapt tijdens een middagdutje

In de zeventiende eeuw verrezen ze tot in het noordelijkste puntje van Nederland: barokke praalgraven die de lof zongen van de overledenen. Nu spaart men in de kerk van Midwolde voor verwarming, bedreigt de bonte knaagkever het preekgestoelte van Stedum en wordt de klok te laat geluid.

De Beeldengids Nederland is verschenen bij de Rotterdamse uitgeverij 010 onder redactie van Mirjam Beerman, Frans van Burkom en Frans Grijzenhout. ISBN 90-6450-189-0. Prijs ƒ 59,50.

Afgezien van een stuk of tien witte klapstoeltjes, achtergelaten door het koor van Oldebert, doet het interieur van de kerk van Midwolde rijk aan. Het kleine Nederlands-Hervormde kerkje heeft een zwartmarmeren vloer, een houtgesneden preekstoel, een 'herenbank' vanwaar de Groningse adel kon neerzien op dominee en volk, en zelfs een weelderig marmeren praalgraf. Aan dat laatste dankt de kerk een vermelding in de onlangs verschenen Beeldengids Nederland, waarin ruim 540 beeldhouwwerken uit de 'openbare ruimte' zijn opgenomen.

Net als de andere rijkdommen in de kerk van Midwolde is het praalgraf afkomstig van de bewoners van de borg Nienoord, even verderop gelegen. De borg werd gebouwd in 1525, toen het kerkje al vier eeuwen oud was. De bewoners dankten hun vermogen aan uitgestrekte landerijen, maar hadden niet genoeg aan hun wereldse macht en eigenden zich het kerkje min of meer toe. Er kwam een singel van de borg naar de kerk en verschillende generaties borgheren investeerden in het interieur.

De borgvrouwe Anna van Ewsum ging daar misschien wel het verst in. In 1664 liet ze de beeldhouwer Rombout Verhulst overkomen uit Den Haag om een praalgraf te bouwen ter meerdere glorie van zichzelf en Carel Hiëronymus van In- en Kniphuisen, haar overleden eerste man. Zo springlevend als Anna destijds poseerde, zo bevroren in marmer ligt zij nu op een soort altaar voorin de kerk. Ze kijkt neer op haar ontslapen echtgenoot, onder haar linkerarm heeft ze een bijbel, met haar linkerhand steunt ze op een gevleugelde zandloper. Rechts van haar houdt een engeltje een voet op een doodskop en wendt het gezicht af van een spiegel, symbool voor het aardse bestaan. Anna's tweede man, een achterneef van de eerste, verdrong een soortgelijke engel aan de linkerkant van het monument en staat daar zelf, fier leunend op een schild. Nog vier engeltjes klampen zich boven Anna vast aan een lauwerkrans en helemaal bovenop blaast de engel van de Faam op een bazuin. “Ze zeggen dat die engeltjes staan voor zeven niet-levensvatbare kinderen”, zegt mevrouw Nienhuis, die op een steenworp afstand van het kerkje woont en een van de sleutels in beheer heeft. In Midwolde doet het gerucht de ronde dat al Anna's kinderen kort na de geboorte gestorven zijn.

Ook de kerk van Stedum, een kilometer of dertig verder naar het noordoosten, staat in de Beeldengids met een graf van Rombout Verhulst. Hier is Adriaan Clant uitgebeeld, heer van Nittersum. Clant ging aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog voor de Staten Generaal naar de vredesbesprekingen met Spanje en ondertekende de Vrede van Munster. Zijn zoon liet na zijn dood in 1666 het praalgraf voor hem oprichten, vermoedelijk op het idee gebracht door Anna van Ewsum. Rombout Verhulst gaf Clant de pose die hij eerder al een opperhoutvester in de Leidse Pieterskerk had gegeven: ontspannen leunend op de linkerzij, linkerhand onder de kin, ogen gesloten. Betrapt tijdens een middagdutje. Zo'n ontspannen houding is karakteristiek voor veel Nederlandse grafsculptuur uit de zeventiende eeuw.

De kerken van Stedum en Midwolde moeten het nu stellen zonder hun zeventiende-eeuwse weldoeners; armere tijden zijn aangebroken. De kerk van Midwolde spaart voor een goede verwarming, want “je zit hier zo koud met al dat marmer”, zegt mevrouw Nienhuis. De kerk van Stedum kampt met een bonte knaagkever in het eikehout die de preekstoel dreigt te verwoesten. Verdelging is duur, de kerk overweegt geld in te gaan zamelen met oliebollenacties. Midwolde kon met de opbrengst van een braderie een automatische luidinstallatie aanschaffen, Stedum is nog niet zover. Om even over vijven komt de timmerman aanfietsen, recht uit de werkplaats met een dikke winterjas over zijn blauwe overall. Hij stapt af en zet zijn fiets tegen de kerk. Tijd om de klok te luiden. “Moet ook gebeuren”, zegt hij en verdwijnt naar binnen.

Met de Beeldengids op het dashboard zou je een nog veel langere tocht kunnen maken langs de graven en epitafen van Rombout Verhulst: naar het Noordhollandse Spanbroek, de Oude en de Nieuwe Kerk in Amsterdam, de Utrechtse Dom, de abdijkerk van Middelburg. Samen met zijn voorganger Hendrick de Keyser en twintigste-eeuwse beeldhouwers als Mari Andriessen, Hildo Krop en Joseph Mendes da Costa speelt Verhulst een hoofdrol in de beeldentuin die in de gids wordt neergezet.

De selectie is tot op zekere hoogte willekeurig, schrijft Rik Vos, directeur van het Fries museum, in de gids. Nederland heeft in elk willekeurig park of winkelcentrum wel een beeld, zodat de vijfhonderdveertig beelden niet meer dan een greep kunnen zijn. Het is daarom toeval als je je lievelingsbeeld in de gids treft. Sommige monumenten zijn zo nauw verweven met de vaderlandse geschiedenis dat ze niet mògen ontbreken - de Dokwerker in Amsterdam, Stad zonder Hart in Rotterdam, het graf van Willem van Oranje te Delft bijvoorbeeld. Maar de praalgraven in Groningen, een gebied waar los gespannen elektriciteitsdraden de frivoolste elementen in het landschap zijn, spreken het meest tot de verbeelding.

    • Joke Mat