Droge mond komt vaak door medicijngebruik; Arm, oud en dus tandeloos

Mondgezondheid van ouderen was tot voor kort een weinig populair onderwerp bij tandartsen en onderzoekers. In de gemiddelde tandartsenpraktijken was het aantal oudere mensen met eigen tanden klein en het merendeel van de ruim drie miljoen Nederlanders met een volledige prothese bezocht de tandarts tot voor kort maar zelden.

De laatste jaren neemt het aantal ouderen in de tandartspraktijk toe, allereerst als gevolg van de naoorlogse geboortegolf en de afname van het aantal geboorten in de jaren zestig. Binnen die groep ouderen neemt het aantal mensen met eigen tanden en kiezen ook toe, want de gebitsbewustheid in de huidige tijd stijgt sterk bij de oudere leeftijdsgroepen. De zegenrijke invloed van de preventie bij de jeugd maakt dat er in de verdere toekomst in ons land aanzienlijk minder tandbederf zal zijn dan vroeger. De tandartsen hebben meer kennis over ouderen en er zijn behandelingsmogelijkheden bij gekomen. De belangstelling voor de oudere tandheelkundige patient bestaat overigens internationaal al veel langer, omdat elders de bevolking al meer ouderen telt dan bij ons.

Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat enkele jaren geleden de Tandheelkundige Vereniging voor Gerodontologie werd opgericht met als doel beter inzicht te krijgen in de problematiek van de oudere bij de tandarts. Deze vereniging gaf de aanzet tot een uitgebreid inventariserend literatuuronderzoek. In mei '92 verscheen de rapportage geschreven door de tandartsonderzoeker Schuil in samenwerking met het researchinstituut van de Nijmeegse tandheelkundige faculteit.

De leeftijdsgrens voor het begrip oudere in dat rapport werd enigszins arbitrair gesteld op 55 jaar.

Direct bleek al dat onderlinge vergelijking nauwelijks mogelijk was.

Maar er valt toch wel wat over te zeggen. Schuil haalde er de algemene tendensen uit. In het algemeen kan worden gezegd dat de mondgezondheid van ouderen slecht is. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld is minder dan 20% van de 55- tot 64-jarigen en 30 tot 40% van de 65- tot 74-jarigen tandeloos. In alle andere landen zijn deze percentages 20 tot 30% procent hoger. De vraag is waarom. Schuil beantwoordt de vraag niet, maar men zou kunnen aannemen dat het komt doordat de tandheelkundige verzorging in de Verenigde Staten slechts voor een deel van de bevolking beschikbaar is, terwijl in West-Europa een veel betere toegang tot de tandheelkundige gezondheidszorg bestaat. Meer zorgverlening zou wel eens kunnen resulteren in meer kunstgebitten. Net als in Nederland neemt in de Verenigde Staten, Groot-Brittannie en de Scandinavische landen het percentage tandeloze ouderen af. Vrouwen zijn vaker tandeloos dan mannen, meer zelfstandig wonende ouderen zijn in het bezit van hun eigen gebit dan geinstitutionaliseerde bejaarden en ouderen in de hogere sociaal-economische klasse blijken minder vaak tandeloos dan hun minder bevoorrechte relatiegenoten.

Kunstgebit

Ouderen lijken, in tegenstelling met wat vroeger werd gedacht, in vergelijk met jongeren niet meer tandvlees en kaakbotontstekingen te hebben. Mondkanker is specifiek een ziekte van de oudere mens.

De vooruitzichten voor de huidige tandloze is niet erg gunstig als het gaat om de gevolgen van het dragen van een kunstgebit. De reden is gelegen in het slinken van lege kaken, de zogenaamde alveolaire botreductie. Verlies van gebitselementen heeft slinking van kaakbot tot gevolg, dat in een aantal gevallen ook nog eens wordt versterkt door het dragen van een prothese. Waarschijnlijk wordt dit botverlies veroorzaakt door een calciumdeficientie als gevolg van een tekort van dit mineraal en de verstoorde calciumfosforverhouding in de voeding. Interessant is de belangrijke rol van de speekselklieren bij het in stand houden van de mondgezondheid. Ouderen klagen nog wel eens over een droge mond. Tot voor kort werd aangenomen dat de produktie van speeksel bij veroudering afneemt. Toch blijkt dat niet het geval. Onderzoek uit de laatste tien jaar wijst uit dat de speekselsecretie bij gezonde ouderen vrijwel niet verschilt van die van jongeren. Wanneer er dan toch sprake is van minder speekselvorming bij oudere mensen dan is de oorzaak, naast een mogelijk ziekteproces in de speekselklieren, waarschijnlijk gelegen in frequent gebruik van medicijnen die als bijwerking een minder functioneren van de speekselklieren hebben. Weinig speeksel is in het algemeen desastreus voor de mondgezondheid. Tanden en kiezen worden sneller vatbaar voor tandbederf. Gebitsprothesen vertonen minder houvast en de draagklachten nemen snel toe, want de beschermende speeksellaag tussen prothese en tandvlees is zo dun dat er makkelijk mechanische irritatie zal het ontstaan die pijnlijke wondjes veroorzaakt. Voorts plakken lippen en tong zonder speeksel meer aan de prothese vast dan wanneer er wel voldoende speeksel aanwezig is. Opvallend is ook dat er bij ouderen, als groep, een zekere discrepantie bestaat tussen de door tandartsen vastgestelde behandelnoodzaak en de behandelbehoefte die de oudere patienten zelf hebben. Schuil noemt een aantal factoren voor deze vinding. Ouderen hebben gebrek aan kennis over tandheelkundige mogelijkheden, of ze vinden de tandarts te duur. Ze hebben veel afwijkingen met een chronisch karakter, die geleidelijk ontstaan zodat ze te laat worden opgemerkt en er gewenning ontstaat. Het bezoek aan tandartsen is voor hoogbejaarden vaak lastig omdat tandartspraktijken soms moeilijk bereikbaar en toegankelijk zijn. Ouderen staan in het algemeen negatief ten opzichte van tandheelkundige zorg en schikken zich in de - in hun ogen - onvermijdelijke aftakeling van het gebit.

Ouderenplan

Het rapport eindigt met de vaststelling dat er nog heel wat kennis ontbreekt. Onderwijs in de gerodontologie en geriatrische tandheelkunde ontbreekt vrijwel op de Nederlandse universiteiten, zeker in vergelijking met andere Westerse landen. Er bestaat een schreeuwend tekort aan collectieve preventie en voorlichtingsprogramma's voor ouderen.

Schuil pleit daarom voor de ontwikkeling van een tandheelkundig ouderenplan. Met name als het de financiering van de tandheelkundige zorg voor deze groep betreft. Net als voor de huidige jeugd van nul tot negentien jaar zou er een speciale regeling voor ouderen moeten komen.

    • M.A.J. Eijkman