De stemmer

Bij ons thuis kwam tweemaal per jaar de pianostemmer: een heer met een gouden brilletje, een grijze maatjas en een bijpassende hoed. Hij droeg een koffertje dat, opengeklapt, een gereedschapskist bleek te zijn die niet onderdeed voor die van de timmerman. De vele sleutels, tangen en schroevedraaiers vielen moeilijk te rijmen met de onberispelijke verschijning van de man. Maar de stemvork met haar geheime tovertoon schonk hem daarentegen weer bovenaardse dimensies.

Als mijn moeder zijn jas had aangenomen, liet ze hem in de achterkamer en schoof de schuifdeuren dicht. Wij mochten wel kijken in de achterkamer, maar moesten doodstil zijn.

De stemmer maakte het frontstuk boven het klavier los en zette dat, in de lengte, schuin tegen de muur. De piano kwam naakt te staan. Ik voelde de wind tussen mijn eigen ribben. Daarna begon het eindeloze gesleutel en het gehamer van tonen. Overal in huis was het te horen. Het maakte iedereen duidelijk dat de achterkamer geconfisqueerd was en door wie.

Nooit maakte hij grapjes. Bij het indrukken van een toets kon hij precies voorspellen welke snaren door een hamertje geraakt zouden worden. Dat wij hem om die kunst mateloos bewonderden, maakte geen enkele indruk op hem. Hij was de leeftijd van de ver- en bewondering al eeuwen gepasseerd.

Alleen 's zomers, wanneer hij vanwege de warmte zijn jasje uittrok en in hemdsmouwen en vest werkte, begon hij op een gewoon mens te lijken.

Als het stemmen klaar was, speelde hij onveranderlijk de eerste vijf maten van dezelfde wals van Chopin, gevolgd door enkele akkoorden.

Wanneer mijn moeder hem uitgelaten had, gingen de schuifdeuren open. De kamer was weer van ons.

Mijn eigen stemmer heeft ook een gereedschapskoffer. Ook hij trekt 's zomers zijn jasje uit en maakt nooit grappen. Er lijkt niet veel veranderd. Behalve dit: als hij mijn piano naakt zet, voel ik geen wind meer tussen mijn ribben. Ook de stemvork betovert mij niet meer.