Bananenoorlog eindigt in wapenstilstand

ROTTERDAM, 31 MAART. De 'bananenoorlog' tussen Brussel en de Latijnsamerikaanse bananenproducenten is bijna gestreden. Met het deze week bereikte akkoord over betere toegang voor de 'dollarbananen' tot de Europese markt is een einde gekomen aan een gevoelig handelsconflict, dat de gemoederen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan geruime tijd heeft beziggehouden. Alleen Guatemala, dat zich met hand en tand verzet tegen een compromis, kan nog roet in het eten gooien.

De 'bananenoorlog' brak uit toen Brussel aankondigde per 1 juli 1993 het importbeleid voor bananen in de Europese Unie (EU) te willen harmoniseren. 'Dollar'-bananen uit Latijns Amerika kregen voortaan beperkte toegang tot Europa en werden bovendien belast met een invoerheffing van 20 procent. De maatregel was een verkapte vorm van protectionisme: door minder bananen toe te laten uit Latijns Amerika, konden de producenten in de EU (Griekenland, Spanje, Frankrijk en Portugal) hun produkt makkelijker kwijt en kwam er meer ruimte voor duurdere en kwalitatief mindere bananen uit de zogenoemde ACP-landen (veelal ex-koloniën van EU-landen) die volgens het akkoord van Lomé hun bananen vrij op de Europese markt mogen brengen.

Voor Latijns Amerika was het besluit catastrofaal. Volgens berekeningen zou het Brusselse 'bananendecreet' de regio tot 1995 1 miljard dollar en 170.000 banen kosten. Driekwart van de totale bananenproduktie in de wereld komt uit Midden- en Zuid-Amerika. Door de crisis op de grondstoffenmarkt leveren andere produkten die traditiegetrouw in deze landen worden verbouwd, zoals suiker, koffie en katoen, weinig meer op. Bovendien hebben guerrilla-oorlogen en schuldencrises een zware financiële tol geëist.

De Latijnsamerikaanse landen exporteren bijna de helft van hun oogst naar Europa. Vooral Ecuador zou zwaar getroffen worden door de importbeperking: de grootste bananenexporteur ter wereld is voor een kwart van zijn inkomsten afhankelijk van de bananenhandel. In de jaren tachtig verdrievoudigde het land zijn export naar Europa. Als gevolg van de Europese maatregel daalden de prijzen van plantage-grond in Ecuador met bijna 40 procent. Bananentelers gingen naarstig op zoek naar nieuwe afzetmarkten of gingen over op winstgevender produkten. Grote profiteur van de handelsoorlog zouden overigens de VS zijn, die de overtollige bananen graag tegen gereduceerde prijzen in ontvangst nemen.

Het akkoord over de bananenimport is voor beide partijen van belang: Latijns Amerika mag dit jaar in plaats van 2 miljoen ton 2,1 miljoen ton bananen richting Europa verschepen, en volgend jaar 2,2 miljoen ton. Dat is nog altijd zo'n 0,5 miljoen ton minder dan Europa de laatste jaren aan Latijnsamerikaanse bananen consumeerde. Oorspronkelijk hadden Costa Rica, Colombia, Nicaragua en Venezuela een quotum van 2,5 miljoen ton geëist. De invoerheffingen gaan met 25 procent omlaag, van 100 naar 75 ecu per ton.

Ook Brussel is opgelucht: de bananenlanden hebben beloofd hun klacht bij de GATT, die zich al in weinig lovende bewoordingen heeft uitgesproken over de houding van Europa, te zullen intrekken. Bovendien komt Brussel met de versoepeling van de import tegemoet aan grieven die bij een aantal eigen lidstaten, met name Duitsland, leefden. De maatregelen van vorig jaar leidden namelijk tot grote onenigheid binnen de EU: Duitsland, Nederland en Denemarken voelden niets voor bescherming van de Europese producenten en hun voormalige koloniën, en het duurder worden van bananen als gevolg van hogere heffingen. Als grootste afnemer van 'dollar'-bananen zou Duitsland het hardst getroffen worden.

Frankrijk, Spanje en Groot-Brittannië daarentegen wilden hun (ex-)koloniën beschermen. De redenen daarvoor gaan terug tot de periode na de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de wederopbouw besloot Groot-Brittannië in haar koloniën in het Caribisch gebied bananen te gaan telen. Zo kreeg de bevolking de fel begeerde vrucht en hoefde Londen geen kostbare dollars uit te geven. Al snel kwam er een continuë stroom bananen uit het gebied, dat door de malaise in de suikerindustrie wel een lucratief alternatief kon gebruiken. De banaan kreeg de bijnaam 'het groene goud'. Toen Brussel de import van de bananan wenste te beperken, hielden de Britten, evenals de Fransen en de Spanjaarden, vast aan de bescherming van hun producenten in de (ex-)koloniën.

Voor Duitsland lag de kwestie ook gevoelig: bij gebrek aan bananenproducerende koloniën had Duitsland altijd baat gehad bij de vrije import van bananen uit Midden-Amerika. Kanselier Adenauer hield de ondertekening van het Verdrag van Rome in 1957 zelfs drie dagen op omdat hij koste wat het kost een protocol wilde waarin de aanvoer van 'dollarbananen' veilig werd gesteld. Ook bij de Duitse eenwording, in 1989, speelde de banaan een rol: nauwelijks bekend in de DDR groeide de banaan na de val van de Muur uit tot symbool van de nieuwe 'welvaart'. De Oostduitsers zijn nu de belangrijkste consumenten: ze eten tweemaal zoveel bananen als de gemiddelde Europeaan.

Het aankaarten van de kwestie bij de GATT heeft de balans doen doorslaan in het voordeel van Latijns-Amerika en haar medestanders binnen de EU. Enige dwarsligger in het conflict blijft Guatemala, dat zich niet neer wenst te leggen bij de afgezwakte Europese restricties. In Brussel worden de schouders opgehaald over deze laatste brandhaard. Met 1,5 procent van de bananenimport is Guatemala een handelspartner van weinig betekenis. Het venijn zit echter in de staart. Als straks de nieuwe wereldhandelsorganisatie (WTO) van start gaat en het toezicht op eerlijke handel scherper wordt, kan Guatemala het de EU met een nieuwe klacht nog wel eens lastig maken.

Voor de grote multinationals als Del Monte, Chiquita en Dole, die 70 procent van de wereldhandel in bananen controleren, maakt het compromis weinig uit: zij lopen altijd klappen op. Waren de Europese restricties van kracht gebleven, dan zouden zij een deel van de exportmarkt hebben verloren. Maar door de export-licenties waarvan in nieuwe regeling sprake is, worden de bananenlanden minder afhankelijk van de multinationals en kunnen ze makkelijker direct exporteren. Del Monte zag de bui hangen en trachtte al begin jaren negentig vastere voet aan de grond te krijgen in de Afrika in een poging om hoe dan ook greep te houden op de wereldhandel in bananen.

    • Friederike de Raat