'Oude mannetjes' hebben recht op hun herdenkingen

Wie te snel verzoening nastreeft met een vroegere vijand en onderdrukker onderschat de kracht van het collectief geheugen. Volgens Maarten Mourik heeft zo'n verzoening alleen kans van slagen als de kleine landen in Europa zich op het politieke en culturele vlak niet bedreigd voelen door de grote, en zover is het nog niet.

Tussen de papieren die mijn vader mij naliet zat een dun boekje in oranje kaft. Het werd in 1913 geschreven door de hoofdonderwijzer van mijn geboortedorp ter gelegenheid van de honderdjarige herdenking van “de dagen toen Nederland van de Fransche overheersing verlost werd”. Het is een spannend verhaal over wat de dorpsbewoners te verduren hadden van plunderende en zelfs moordende Fransen die zich terugtrokken, en van de Kozakken en Pruisen die hen op de hielen zaten. Honderd jaar later leefde de herinnering aan die tijd blijkbaar nog zo sterk, dat de bevrijding van de Fransen met veel feestgedruis werd gevierd. In mijn dorp zelfs twee dagen lang.

De afgelopen weken heb ik herhaaldelijk aan het familierelikwie moeten denken. Allereerst toen ik las dat onze ambassadeur in Bonn van mening is dat wij op moeten houden de geallieerde eindoverwinning 'op zo'n nationalistische manier' te vieren. Volgens hem moeten wij de vijftigste herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog gezamenlijk met de Duitsers vieren, en wel op 8 mei, de dag waarop - in de woorden van bondspresident Weizsäcker - “Duitsland van het nazidom bevrijd werd” (NRC Handelsblad, 11 maart). Vervolgens werd ik aan de feesten van 1913 herinnerd door de suggestie van J.L. Heldring ('Dezer dagen' van 15 maart) dat we om tot een gemeenschappelijk Europees buitenlands en veiligheidsbeleid te komen niet teveel aan het verleden moeten denken, en zouden kunnen beginnen met het beperken van de herdenkingen van 1940-1945, waarvan, aldus Heldring, “sommige - met die oude mannetjes in BS-uniformen en met stenguns - bijna ridicule trekjes krijgen”. Het boekje kwam me ook weer voor de geest bij de verslagen over de verlegenheid die de regeringen van de voormalige geallieerde landen aan de dag leggen bij het bespreken van de vraag of bij de herdenking van D-Day op 6 juni aanstaande ook de Duitse bondspresident aanwezig mag zijn.

De goede bedoelingen van degenen die terwille van een Europese verzoening pleiten voor afschaffing of beperking van nationale herdenkingsdagen trek ik niet in twijfel, maar ze getuigen wel van gebrekkig psychologisch inlevingsvermogen en van onvoldoende inzicht in de werking van het collectieve geheugen. Kunnen we ons voorstellen dat de nog levende slachtoffers van de nazi-terreur en hun nabestaanden samen met de vroegere beulen of hun nakomelingen willen herdenken dat het nazidom en het fascisme door de geallieerde overwinning zijn ingestort? Dat zou denkbaar zijn als de volken die jarenlang dragers van deze staatsideologieën waren er zichzelf van hadden kunnen bevrijden. Maar nu? De gedachte lijkt me een klap in het gezicht van al degenen die onder de Duitse bezetting hebben geleden en nog lijden onder de gevolgen. Daar zullen ook veel van die 'oude mannetjes in BS-uniformen en met stenguns' bij zijn. Die hebben het volste recht op hun herdenking. Het idee van de ambassadeur zal in kringen van het voormalig verzet weinig begrip ontmoeten.

Ook op het idee van de ambassadeur dat Nederland er relatief goed afgekomen is onder de Duitse bezetting is veel af te dingen. Om te beginnen is leed niet te kwantificeren. Maar dan nog: honderdduizenden joodse landgenoten op gruwelijke wijze afgeslacht, honderden en honderden verzetslieden en gijzelaars vermoord, velen 'in Nacht und Nebel'. De burgerslachtoffers van Rotterdam in 1940, tot die in Arnhem in 1944. De meer dan 25.000 doden van de hongerwinter. De in Duitsland omgekomen dwangarbeiders. Een totaal verwoeste infrastructuur en een op de valreep leeggeplunderde industrie.

Wie al te snel verzoening met de vroegere vijand en onderdrukker nastreeft doet niet alleen onrecht aan al het persoonlijk geleden leed, maar onderschat ook de kracht van het collectief geheugen. Ik zeg niet dat het collectieve geheugen van een volks- of cultuurgemeenschap altijd rationeel is. Maar het bestaat wel, en het is gevaarlijk erover heen te lopen of het te onderdrukken. Dat bewijzen de ontwikkelingen in de voormalige Sovjet-Unie en het vroegere Joegoslavië. Dat bewijst de reactie van de Britten op de plannen van hun regering om Duitse politieke leiders uit te nodigen voor de nationale herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog. Die plannen hebben, zo meldt NRC Handelsblad op 23 maart: “hernieuwde oorlogssentimenten opgeroepen”. Veronachtzaming van het collectieve geheugen brengt de Grieken tot razernij wanneer de VN besluit Turkse blauwhelmen naar Bosnië te sturen.

Verzoening tussen volkeren heeft twee dingen nodig. Allereerst tijd. We vierden in 1913 na honderd jaar nog onze bevrijding van de Franse overheersing, een regime dat in de verste verte niet te vergelijken is met de terreur van de Duitse bezetting. Ik denk niet dat we, zelfs als er geen twee wereldoorlogen tussen waren gekomen, in 1963 nog dat feest gevierd zouden hebben. Maar behalve tijd heeft verzoening ook en vooral een gevoel aan beide kanten nodig dat de ander in politiek, economisch en cultureel opzicht geen bedreiging (meer) vormt. En daaraan schort het in Europa nog allerwegen. Ook in de verhouding tussen Nederland en Duitsland. Laten we daarom met kracht blijven streven naar een politiek stelsel in Europa waarbij de grotere niet zijn wil kan opleggen aan de kleinere.

We moeten naar een volkenrechtelijk systeem dat de kleinere cultuurgemeenschap vrijwaart van aantasting door de grotere van haar identiteit, waarvan het collectief geheugen een dragend element is. Als we ons eenmaal in het politieke en culturele vlak onbedreigd kunnen voelen, pas dan kunnen we gezamenlijk vieren dat we ooit, en hopelijk voorgoed, met zijn allen van nazidom en fascisme werden bevrijd.