'Oom Wanja' draait om spel van Gijs Scholten van Aschat

Voorstelling: Oom Wanja van Anton Tsjechov door Art & Pro. Regie: Frans Strijards. Decor/kostuums: Stans Lutz. Spel: Jacqueline Blom, Rudolf Lucieer, Gijs Scholten van Aschat, Elsje de Wijn, Marieke Heebink e.a. Gezien: 29/3, Brakke Grond, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 9/4 en t/m13/5 in Rozentheater, Amsterdam.

Oude tijden herleven nu Frans Strijards met zijn gezelschap Art & Pro Tsjechovs Oom Wanja (1897) ten tonele brengt - al is het maar in de hoofden van de toeschouwers. Zijn enscenering van De Kersentuin, een van Tsjechovs andere komedies die hardnekkig doorgaan voor tragedies, was in 1987 immers maatgevend. Hij presenteerde een kermis van op drift geraakte stripfiguren, lach- en deerniswekkend, bizar maar melodieus, eigenzinnig maar scherp. Dat Tsjechov tijdloos is, weet ieder schoolkind, maar Strijards' De Kersentuin zette de theorie om in tastbare realiteit. Hij toonde een vulgaire klucht, een gekkenhuis, op de rand van het ijzingwekkende.

Arme Strijards, die moet opboksen tegen een herinnering. Als om het collectieve geheugen schoon te spoelen, heeft hij een nieuwe groep spelers samengebracht, een verrassende combinatie. Muze en Strijards-vertolkster-bij-uitstek Trudy de Jong doet niet mee, zomin als Diane Lensink en Theo Pont, maar wel Jacqueline Blom, Gijs Scholten van Aschat Rudolf Lucieer, die we toch vooral uit het Haagse toneel kennen, en Marieke Heebink van De Trust. Elsje de Wijn, die de oude moeder Maria speelt, is de enige overlevende van de oude garde. Haar spel beperkt zich tot de weergave van een weliswaar fysiek zeer aanwezige, maar overigens te veronachtzamen zombie. Dat deze schim de Freudiaanse bron is van alle ellende is moeilijk voor te stellen.

Die interpretatie of liever de afwezigheid daarvan is meteen de kern van deze voorstelling. Tsjechov toont altijd een onderling nauwverbonden groep slachtoffers die elkaars ongeluk veroorzaken en aan het slot collectief ten onder gaan en al is dat laatste uiteraard ook hier aan de orde, de psychologische samenhang ontbreekt. Strijards laat individuen zien die door omstandigheden met elkaar te maken hebben, maar ze hebben elkaar niet gevormd, gedetermineerd. Hij toont een hier en nu, een resultaat, niet een hier en toen, een oorzaak.

Heel mooi is zijn realisme. Hij zwijmelt niet weg in nostalgische romantiek. Het decor (Stans Lutz) verbeeldt geen weelderig landhuis in verval, met zicht op heimwee naar vroegere rijkdom, maar de fragmenten van een oncomfortabel volkstuintjeshuisje. Serredeuren, dat wel, maar armetierige, met ingebouwde tochtvoorzieningen voor ijzige winters. Een tafel die eens zo afgetrapt oogt door een knullig bloemetjesmotiefje, een treurige waslijn op het erf. Dit is het interieur van aardappeleters, niet van ooit welvarende grootgrondbezitters.

Deze omgeving is veelzeggend, maar niet lotsbepalend. De vraag hoe het zover heeft kunnen komen met de figuren uit Oom Wanja wordt ook door dit decor niet beantwoord. Het gevolg is dat we kijken naar verknipte types met eigenaardigheden. De Sonja van Marieke Heebink is neurotisch, spasmen doortrekken haar bewegingen en stem; haar oom Wanja van Rudolf Lucieer is een licht ontvlambare landarbeider, maar hij blijft evenals zijn nichtje op afstand, ondanks al het aplomb slechts vaag suggererend wat hem beweegt. Jacqueline Blom als Jelena is uitgesprokener, ze is grootsteeds en paart doortastenheid aan naïveteit, verlangen aan depressiviteit, maar zij blijft contekst missen.

De enige die een volwaardig personage creëert, is Gijs Scholten van Aschat, als dokter Astrov. Hij is in het heimelijke verslingerd aan Jelena, maar een relatieve buitenstaander die desondanks de spil van de voorstelling is - misschien dat daarom in zijn geval het gebrek aan samenhang zich niet doet gelden. Zeker heeft het ook met Scholten van Aschats spel te maken. Ik realiseer me weer eens dat hij een van de grootste acteurs van zijn generatie is: hij valt nauwelijks te beschrijven. Zonderling is hij en bevlogen, maar ook onopvallend bijna, iemand die je kunt tegenkomen zonder je onmiddellijk op het hoofd te krabben. Hij heeft de tics en het vertoon van de anderen niet nodig om een karakter te tonen.

Wat dit alles oplevert is een geamputeerde Tsjechov, op de been gehouden door bij vlagen indrukwekkend spel en een treffend decor. Maar ik mis een visie, dat wil zeggen: noodzaak.

    • Pieter Kottman