Hoogleraar: rapport over IRT te eenzijdig

ROTTERDAM, 30 MAART. Het rapport van de commissie-Wierenga over de opheffing van het interregionale rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht (IRT) is eenzijdig en onbevredigend. Dat schrijft prof.mr. Th.A. de Roos, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Limburg, in het Nederlands Juristenblad dat vrijdag verschijnt.

De Roos verwijt de samenstellers van het rapport dat zij de boodschappers van het slechte nieuws, namelijk dat er een opsporingsmethode door het IRT werd gehanteerd waarvoor de hoofdofficer en de korpschef geen verantwoordelijkheid wilden dragen, niet serieus hebben genomen. “Het rapport is algemeen geprezen”, zo schrijft De Roos, maar aan de onderbouwing van de conclusies van de commissie is zijns inziens nauwelijks aandacht geschonken.

Het stond volgens Roos voor de commissie van tevoren vast dat het Amsterdamse politiekorps en een deel van het openbaar ministerie van meet af aan vijandig tegenover het IRT stonden. De 'omstreden werkwijze' waarnaar de Amsterdamse driehoek in een fel bekritiseerd persbericht verwees, was volgens de commissie slechts een stok om de IRT-hond te slaan, aldus Roos.

De 'omstreden werkwijze' zou door de IRT zijn toegepast in het zogeheten Deltaproject. De werkwijze zou hebben bestaan uit het laten infiltreren van een burger in een criminele organisatie. De infiltrant zou door het opbouwen van criminele antecedenten op het gebied van drugshandel het vertrouwen moeten winnen van de leiding van de organisatie. Voor deze infiltratiepoging zouden - in het diepste geheim - een aantal officieren van justitie het groene licht hebben gegeven.

De hoofdofficier van justitie in Amsterdam, J. Vrakking, zou echter pas in een laat stadium door de Amsterdamse politiechef J. van Driessen over de infiltratiepoging zijn ingelicht. Van Driessen baseerde zich op zijn beurt op een rapport over de werkzaamheden van het IRT van de Amsterdamse politieman J. van Kastel. Zowel Van Kastel als Van Riessen zijn door de commissie-Wierenga gehekeld.

De Roos: “Juist deze cruciale episode in het drama is door de commissie op een onbevredigende manier weergegeven. Van Kastel wordt verweten dat hij onvolledig en deels onjuist zou hebben gerapporteerd. Maar hij heeft wel degelijk moeite gedaan om zich een beeld te vormen van de super-geheime operatie. De bereidheid (van het IRT) om hem de nodige informatie te verschaffen is niet groot geweest.”

Volgens De Roos raken vragen over de toelaatbaarheid van opsporingsmethodieken zoals (diepte)infiltratie en het op een akkoord gooien met criminelen “de integriteit van de rechtsstaat”. Hij verwijt de commissie dat het debat over dit onderwerp “dreigt te verdwijnen onder (misschien) rollende koppen van verantwoordelijke functionarissen”.