Het knipsel

Iemand legde een stukje krant naast Wies op tafel. Iets uit een personalia-rubriek, met een foto. “Die kende jij toch? Nou, hij doet het goed hoor...”

Bob, o heer, Bob. Vijftien jaar niet gezien en ze voelde zó dat poepkleurige jasje en hoorde de lage stem waarvan zij nooit helemaal zeker had geweten of er niet iets buitenlands aan was. Onweer-, onweerstaanbare stem.

“Tsjee, dat is Bob”, riep zij verrast, “wat lief om dit voor me uit te scheuren, gossiemijne, Raad van Bestuur, dat had ik niet gedacht. Hij is dus echt een grote meneer nu, wat wonderlijk...” Blozend was zij zich ervan bewust dat zij verder weinig over Bob te zeggen had dat niet pijnlijk zou klinken. Weinig dat geschikt was als luchtige tafelconversatie. Vooral de Fransman aan haar linker hand had waarschijnlijk toch al zijn conclusies getrokken uit de ontroerde manier waarop zij met een vinger over het krantefototje aaide en zei: ach Bob...

De Fransman had haar zojuist zelf zitten vertellen over een jeugdliefde, een meisje in een Zuideuropees gehucht dat hem in de Tweede Wereldoorlog had betoverd, hij wist haar naam nog, het was niets geworden. Wies had geraden dat zij erg jong was geweest en dat klopte. Die Fransman en zij begrepen elkaar, misschien dreigden zij af en toe wat te veel te begrijpen.

Bob - het kon toch nauwelijks als small talk worden opgevat als zij nu zou zeggen: 'dat was het vriendje dat ik nooit heb kunnen krijgen?' Of 'tsja, de enige liefde in mijn leven die een heuse carrière heeft gemaakt?' Of erger nog, 'de jongen die mij had zullen ontmaagden maar ervan afzag?' Jammer, niet geschikt om hier hardop gezegd te worden, terwijl het zo'n leuk onderwerp was. Sentimenteel en tegelijk ver weg. Dus zei zij maar: “Hij is niets veranderd.”

Dat was waar, de brede kop op het fotootje was hoogstens wat dikker dan die van de jongen met wie ze in de auto naar een feestje was gereden. Zij zaten nog op school. Het zou een feestje-met-overnachten worden, in een pastorie in een afgelegen dorp, Diepenveen, Diepenheim of zo. Zij had zich erop verheugd met een bijna plechtige ondertoon van verwachting. Als zij ooit iets verdrongen had in haar leven dan was het wel de teleurstelling, achteraf, dat er niets bijzonders gebeurde. Het hele feest was als een blok uit haar geheugen gevallen.

Wat zij zich wel herinnerde was een gesprek in de auto, terwijl het Achterhoekse landschap langsvloog (huizen buiten Doetinchem). “Jij bent”, had Bob spottend gevraagd, “jij bent toch niet zo iemand die zich nooit verveelt?”

Natuurlijk was zij dat niet, zij was zeventien en geen braaf meisje, stel je voor. Als zij zich op school niet vaker verveelde lag dat trouwens voor een groot deel aan Bob. Maar toch leek het alsof zij na die vraag van hem pas echt lid was geworden van de club. De club van verveelbaren, van boredom-detectors, zoals Lucky Jim zichzelf noemt.

Ach, Bob. “Hij is getrouwd met een huisgenote van je, hè?” vroeg haar niet-Franse tafelgenoot. Wies vertelde op anekdotische toon hoe Bob in haar studietijd ineens was opgedoken. Hij kwam theedrinken, kletsen over vroeger, het leken toenaderingspogingen. Na een paar bezoekjes bleek hij de minnaar te zijn geworden van een genagellakte juriste die in hetzelfde huis woonde als zij en die hij eerst maar vaag had gekend. De hond. Zij waren inderdaad getrouwd.

De Fransman aan Wies' linker hand wekte de indruk dat hij iets wilde rechtzetten. Zijn jeugdliefde, het meisje in dat dorpje, had hij kort na de oorlog nog eens teruggezien. Een vriend had het geregeld, wat nog erg ingewikkeld was geweest. Maar toen zij elkaar zagen - niets. Geen vonk, geen contact, het was gewoon over.

Je hebt gelijk, dacht Wies, terwijl zij hardop iets zei over hoe die dingen gaan in het leven. Ik had het verhaal van die jeugdliefde inderdaad anders opgevat. Met Bob is zo'n moment er nooit geweest, al was het honderd keer over. Maar ja, besloot zij terwijl zij de ober behulpzaam een leeg bord aanreikte, als ik echt graag had gewild, had ik hem natuurlijk gewoon kunnen krijgen. Zij deed het knipsel netjes dubbelgevouwen in haar tasje.