Groots en meeslepend

Vorige week heb ik drie keer om middernacht of later met een bos al verwelkte bloemen op het Centraal Station van Amsterdam gestaan. Buiten de overkapping stormde of regende het. Op de perrons en in de tunnels hadden de schoonmakers met hun grommende apparaten de veegwerkzaamheden in gang gezet. Junks bedelden om een laatste gulden. De zwervers begaven zich met hun kartonnen huis op hun schouders naar de grens tussen droom en werkelijkheid.

Ik was niet de enige die daar met verwelkte bloemen in de hand moed stond te verzamelen om het laatste deel van het traject - de weg naar huis - af te leggen. Uit de meest afgelegen hoeken en gaten van het station kwamen bleke, diep in de kraag gedoken schimmen te voorschijn, mysterieuze personages met in de ene had een plastic tas of koffertje, in de andere het boeket. Rennend, talmend, wankelend of zelfs in een rolstol begaven ze zich naar de hoofduitgang. Sommigen groetten elkaar, anderen liepen in gedachten verzonken voorbij. Er werd gegrinnikt, gelachen, geknikt en het kan niet anders of er werd geminacht en benijd.

De schrijvers en dichters, ze zijn het hele land doorgetrokken met plastic tassen vol verbeelding, met koffertjes, die openbarstten van de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Uitverkochte theaters lagen aan hun voeten, maar ook zaaltjes met slechts vijftien of twintig lezers die uit mededogen samenklonterden op de voorste rij en vraag na vraag bedachten om de leegte op te vullen, een leegte die de auteur liever met voorlezen dan met opensnijden en ontleden van eigen werk en eigen leven had gevuld. Vragen over het ontstaan van een verhaal, vragen over de herkomst van de personages. Vragen over het verband tussen ontbering en de kwaliteit van het literaire werk. Vragen over leven en liefde, wanhoop en dood, over politieke systemen, botsingen der culturen, teloorgegane ideologieën, schuld en boete, het verschil in belevingswereld van man en vrouw. Vragen ook over vervoering en concentratie. Over het magische moment van het ontstaan van een gedicht. Over waarom de een over de gave beschikt om uit te spreken wat voor de ander onuitspreekbaar is.

Terwijl binnen de helderheid of de verwarring groter werden, stak buiten de storm op. Hij raasde om de daken van de theaters, de bibliotheken en de literaire cafés. Er werden flessen ontkurkt, handtekeningen gezet, geheimen onthuld die beter bewaard hadden kunnen blijven. Mythes werden ondermijnd met namen en ware toedrachten want onder het publiek bevond zich een dorpsgenoot, of een ver familielid, of iemand die de schrijver of dichter in een nacht van niet-literaire vervoering had gekust. En de storm raasde maar door, de regen kletterde tegen de ruiten. Steeds grootser en meeslepender leken het echte en het verzonnen leven te zijn.

Maar dan brak, onverbiddelijk, het tijdstip van de ontnuchtering aan. De laatste trein kon nog net worden gehaald en zodra hij zich in beweging zette, raakte ook de twijfel op drift: het met verve door mij beweerde leek opeens onwaar, de authentieke uitspraak napraterij, de uitleg een generalisering. Konden de door het noodweer en de wijn aangewakkerde ontboezemingen maar worden teruggehaald, kon de prijsgegeven mythe maar in ere worden hersteld. Was het vermoeide, vale gezicht dat door het coupéraampje werd weerspiegeld het mijne, of was ik de stralende vrouw van de foto op de omslag van het boek waaruit ik in het licht van schijnwerpers voorgelezen had? Ik kreeg het gevoel dat elk van mijn woorden van die avond mij vreemd was geweest. Mijn personages waren onbekenden. Hun namen riepen niets bij me op. Hun drama kwam me onwezenlijk voor.

Drie middernachten heb ik met mijn boeket en mijn twijfels op het Centraal Station gestaan terwijl de apparaten met de snel ronddraaiende bezems al door de tunnels oprukten naar de hal. In de zij-uitgangen vielen de rolgordijnen ratelend neer. De loketten waren op één na gesloten. Onder het teken van het ontmoetingspunt stonden geen verlangende verliefden of nietsvermoedende in de steek gelatenen meer.

Op dit moment zou een verhaal en ook een gedicht kunnen ontstaan, dacht ik alle drie de nachten; op deze plek zou een roman kunnen beginnen en elk van die zich naar huis haastende schimmen zou een personage kunnen zijn. Dat zou ik, dacht ik, in de volgende Boekenweek aan belangstellende lezers uit kunnen leggen.

    • Fleur Bourgonje