Ghelijc

Dus dat staat voorop, op Herwijnen konden ze met beest een koe bedoelen. Dat was de taal van het dorp, een taal die ik me herinner met de stem van de mensen die mijn vader hebben grootgebracht, mijn aangenomen grootouders.

Nu lees ik De reis van Sint Brandaan. Naast de nieuwe berijming van Willem Wilmink is een van de oudste versies van dit verhaal opgenomen, een handschrift van rond 1400.

Op de regels 1161-1163 worden de verrichtingen van een school vermoedelijke walvissen beschreven: Si sagher van so vele manieren/ ghelijc beesten ende wilde stieren/ so vele onder dat water gaan.

Daarbij in de kantlijn de laconieke notitie: beesten = koeien. In 1400! Dat zijn toch dingen waar je even bij stilstaat.

Dan schiet me te binnen dat ik eens heb geschreven dat die mensen, de mensen van dat dorp, in hun taal een stamboom hadden. Toen was het een gelukkige inval, een hyperbolische vondst. Had iemand gevraagd hoe je dit moest opvatten, dan had ik gezegd: in ieder geval niet letterlijk. Maar nu . . .

Je laat een ballonnetje op en hoe fleurig ook, eigenlijk heb je het allang uit het oog verloren als van daarboven opeens een seintje komt: je hebt gelijk, in hun taal hadden die mensen een stamboom.

Is dat niet wonderbaar? Betekent dat niet dat je je eigen vondsten een beetje serieus moet nemen?