Die an mijn Vorst komt, sla ik lam!

Oranje Boven t/m 8 mei in het Goois Museum, Kerkbrink 6, Hilversum.

Wordt er in dit land nog wel eens een echt Oranje-lied aangeheven? Zelden meer, denk ik. En zeker niet met zoveel aanhankelijkheid als in 1948, toen de dichter Jan H. de Groot de tekst schreef voor de ode Trouw aan Oranje en boven het notenschrift de aanmaning verscheen dat er vooral “met veel uitdrukking” moest worden gezongen: “Op wie stond ons betrouwen / in 's levens felst geweld? / Naast God, op een Nassauwe / was ons geloof gesteld...”

Het is - en dat zal wel geen toeval zijn - een van de laatste stukken op de tentoonstelling Oranje Boven, die op de tweede verdieping van het Goois Museum in Hilversum een vrolijk overzicht geeft van de wijze waarop de monarchie sinds 1813 is toegezongen. En dat gebeurde gedurende de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste aanzienlijk vaker dan daarna. De troonsafstand van koningin Wilhelmina gaf de laatste opleving van het Oranje-lied te zien; sindsdien is het maar behelpen. Geen vooraanstaand componist en geen gelegenheidsdichter meer, die het nu nog zouden wagen koningin Beatrix te bejubelen zoals haar grootmoeder in 1893 overkwam, in een Wilhelmus-variant van P. Tideman: “Princesse van Oranië / ben ik, vrij, onbeheerd / mijn hand houdt de kastanië / des rijks, hoog, onverveerd...”

De hier geëxposeerde bladmuziek, afkomstig uit de verbluffende collectie van de Vlissingse verzamelaar K.D. Poll, illustreert de hechte en verheven band die tussen volk en vorstenhuis bestond - te beginnen vanaf het moment dat de aanstaande koning Willem I in Scheveningen vaste voet aan wal zette. Het zijn vooral de voorbeelden uit de vorige eeuw die tot de verbeelding spreken. De koning leev' dichtte Tollens in 1831, en de Feest-Marsch voor piano-forte die in 1864 opklonk bij het 25-jarig huwelijksfeest van koningin Sophie en koning Willem III suggereerde volgens het bijschrift “de feestelijkheid die er tussen de echtelieden zelf niet was”. Toen deze Sophie in 1877 stierf, gaf dat zelfs aanleiding tot een marche funèbre onder de titel Immortellenkrans op het graf van Neêrlandsch Koningin, naar de uit droogbloemen gevlochten krans die door “eene eenvoudige vrouw des volks” op de kist werd gelegd. En toen zeven jaar later haar zoon Willem-Alexander stierf, werd hij via een vocaal In Memoriam postuum geannexeerd door de vrijmetselaars.

Het waren niet de minsten van de vorige eeuw, die bij tijd en wijlen hun monarchistische sentimenten de vrije loop lieten. “Holland groeit weer, Holland bloeit weer!” juichte W. Bilderdijk, eraan toevoegend dat zulks vooral aan de Oranjes te danken was, en de sensibele Jacques Perk begroette koningin Emma met de woorden: “Dank, omdat Gij de vorst gelukkig hebt gemaakt!”

In deze eeuw mengde zich ook het amusementsbedrijf in het koor. Reeds bij de geboorte van prinses Juliana, in 1909, schreven de allang vergeten heren S. de Haas en J.C. van Kerckvoorde een reeks “humoristische coupletten voor twee heeren” onder de titel Dat kwam van 't Julianafeest. Op het omslag zijn twee frivole flaneurs te zien die de bloemetjes blijkbaar danig buiten hebben gezet; de één heeft er een ietwat lodderige blik aan overgehouden en de ander zwaait nog uitgelaten met zijn wandelstok. Uit de jaren twintig stamt waarschijnlijk het populistische Palingtrekkers en Oranje, waarin Johan Elsensohn zich tot tolk heeft gemaakt van een aan de monarchie verknochte Jordanees: “'k Raak voor Oranje in vuur en vlam / die an mijn Vorst komt, sla ik lam!” En van 1938 is de aubade van de produktieve revue-auteur Ferry: “Juliana is de bruid / 't Prinsje uit haar dromen is gekomen / Bernhard is haar ideaal / en wordt als Prins-Gemaal / vreugdevol door Neêrland aangenomen.” In diezelfde tijd ontstond waarschijnlijk de mars Prins Bernhard van de Eindhovense dirigent Ant.M. van Leest, wiens werken de wereld werden ingestuurd onder het motto: “Marschen van Van Leest / speelt men 't meest.”

Ja, die dagen zijn voorgoed voorbij. Voor zover bekend zal ook de aanstaande 85ste verjaardag van prinses Juliana geen aanleiding vormen voor muzikaal en tekstueel aanhankelijkheidsbetoon. Terwijl op de tentoonstelling juist van haar hand het enige niet-Oranje-lied te vinden is. Het dateert uit 1918 en is op muziek gezet door de befaamde Catharina van Rennes, bij wie de prinses zanglessen volgde. Onder de titel De dansende haasjes leest men de eerste regels: “Nu gaan wij vrolijk dansen / Wij dansen poot aan poot, ja, ja! / Wij zijn de haasjes uit de bossen / de kleine haasjes uit de bossen...” De rest is onleesbaar, omdat er in de vitrine iets anders overheen is gelegd.