Compromis met vraagtekens

ZWAAR GEHAVEND HEEFT de Britse premier Major gisteren het Europadebat in het Lagerhuis overleefd.

Niet zozeer de oppositie als wel zijn eigen partij stond gereed om Majors hoofd te eisen. Dat het daarvan (nog) niet is gekomen, heeft er alles mee te maken dat de Tories zich een tweede koningsmoord electoraal niet kunnen veroorloven. De tijden zijn bar voor de Britse Conservatieven en het verzet tegen wat ook maar de schijn heeft van een federalisering van Europa was dan ook vooral een krampachtige poging om de volksgunst te herwinnen. Toen Major gisteren met aanvaarding van het Europese compromis de vlag streek, verloor hij onmiddellijk het beetje vertrouwen dat hij in de confrontatie met Brussel bij zijn achterban had weten te herwinnen.

Majors noodlot wil dat hij niet de rol heeft kunnen spelen die zijn minister van buitenlandse zaken, Hurd, de afgelopen dagen voor zijn rekening nam. De rol namelijk van nationaal leider die, met begrip voor de bijzondere emoties van zijn landgenoten, weet dat Groot-Brittannië zich niet tot de verworpene van Europa mag laten maken. Als (buiten)lid van de club invloedrijke Tories die Margaret Thatcher op die gronden het premierschap afhandig maakte en meer nog als eerste minister in de onderhandelingen over het verdrag van Maastricht had Major die rol met verve neergezet. Maar van de volhardende onderhandelaar die naar twee kanten zijn stelling met succes wist te verdedigen, is niets overgebleven. Het verbond met de extremen in zijn partij is in zijn gezicht geëxplodeerd.

EUROPA KAN NU VERDER. De uitbreiding met Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk kan doorgaan. Van het compromis over de stemprocedure moet maar worden gehoopt dat er niet al te vaak een beroep wordt gedaan op de bijzondere voorziening die opschorting van de besluitvorming mogelijk maakt. Op zijn slechtst dreigt het nu gevoerde debat over het karakter van de Europese eenwording te worden hervat, iedere keer wanneer een willekeurige groep landen die in de Raad van Ministers 23 stemmen weet te verzamelen daaraan behoefte heeft. Een soortgelijke handicap in de jaren zestig naar aanleiding van in wezen hetzelfde meningsverschil, zij het toen met Frankrijk, heeft de Europese integratie ernstig vertraagd.

Er is intussen geen reden om een Europese overwinning te vieren. Handhaving van de bestaande criteria om tot Europese meerderheidsbesluiten te komen spreekt misschien weinig tot de verbeelding, maar is voor de ontwikkeling van Unie en Gemeenschap van principiële betekenis. Anderzijds, juist de crisis in de relatie met het Verenigd Koninkrijk toont welke spanningen er binnen de Unie leven. De oorzaak van die spanningen is met het jongste compromis allesbehalve weggenomen. Die ligt in de intrinsieke wedijver tussen de grotere lidstaten en het daaruit voortspruitende chronische meningsverschil over de uiteindelijke vorm van de Europese eenwording. Zo bezien kenmerkt de Britse politiek zich vooral door haar (schrille) toonzetting.

WAT DE VORMGEVING en het karakter van het Europa van de toekomst betreft wordt de aanstaande uitbreiding onder de gegeven omstandigheden dus een sprong in het duister. Het verdrag van Maastricht blijkt onvoldoende houvast te bieden. De jongste crisis heeft dat overtuigend aangetoond.