Aardappelschijfjes deden dienst als damstenen

HUISSEN, 30 MAART. Piet Levels weet het absoluut zeker: In elke Huissense familie hebben ze een dambord. Er is volgens hem niet één uitzondering. Het Gelderse stadje is een waar dambastion, het nationale Mekka van deze denksport. En dat is met name te danken, zegt hij, aan een plaatselijke gepensioneerde kapper, de nu bijna tachtigjarige Jo Hendriksen.

“Hendriksen was in 1934 niet alleen mede-oprichter van de DV Huissen”, vertelt Levels, “hij nam ook de jeugd-opleiding meteen verschrikkelijk goed ter hand. En in zijn enthousiasme ging hij zó ver, dat hij altijd een aantal borden in zijn zaak had staan. De wachtende klanten moedigde hij aan de schijven te hanteren, samen een partijtje te spelen. Af en toe gaf hij dan, de schaar of de scheerkwast nog in zijn vuist, een nuttige tip aan de betrokkenen. Want hij was een goeie dammer.”

Architect Levels zit in de organisatie van de nationale titelstrijd, die momenteel wordt afgewerkt in de plaats waar ze thuis hoort. Huissen dus. De inwoners spreken van Husen, “en dat is geen dialekt”, verduidelijkt de 61-jarige Levels. Want Huissen was eeuwen lang in Duitse handen, het was eigendom van de graven van Kleef en de vorsten van Pruisen. Het heette aanvankelijk Hüsen, later Huesen. Dat veranderde toen de gemeente op 1 juni 1816 na veel en lang gepraat en heen en weer geschuif werd overgedragen aan het Koninkrijk der Nederlanden.

De gemeente mag een bijzondere historie hebben, deze eeuw kreeg het 15.000 tellende stadje toch méér aandacht dankzij het dammen. “Over naar Huissen”, kon men de afgelopen decennia vaak op de radio horen - of beter nog: “Over naar Husen, naar onze verslaggever bij het Nederlandse kampioenschap dammen.” Want het Gelderse oord is herhaaldelijk gastheer geweest van het Nederlands kampioenschap, dat de plaatselijke DV bij deze editie vijftig mille kost. Geld dat er is gekomen door sponsorhulp, onder meer vergaard door burgemeester drs. R.J. Persoon, die daarvoor persoonlijk de boer op ging.

Huissen is min of meer damgek. Voorzitter Niels van de uit circa honderd leden bestaande DV schat dat tachtig procent van de bevolking zich het wel en wee van de vereniging aantrekt. En er desnoods de portemonnee voor trekt. Een oudere toeschouwer in Het Koelhuis, het strijdtoneel van het NK, zegt dat vooral de tuinders in wat hij noemt “Het Westland van de Betuwe” royaal zijn als het de onvolprezen DV betreft. Dat bleek volgens hem weer eens bij de actie 'De eerste kermiscent is voor de DV Huissen', die al sinds 1949 bestaat. “Ze hebben dit jaar liefst zeven mille opgehaald”, lacht hij. Die guldens komen onder meer de jeugd ten goede, die training krijgt van Alexander Baljakin. Deze Rus maakt ook deel uit van het eerste team van Huissen, dat in 1960 de hegemonie van de westelijke teams doorbrak door Nederlands clubkampioen te worden en sindsdien nog zeven keer 's lands beste was. “Afgelopen jaar kwamen we net tekort tegen Hiltex Amsterdam”, herinnert NK-organisator Levels zich. “Geen wonder eigenlijk, want die vereniging had zich enorm versterkt met twee Russische oud-wereldkampioenen.”

Het zestigjarige DV Huissen contracteerde ooit, voor even, de beroemde Senegalese analfabeet Baba Sy en thans telt de uit tien man bestaande hoofdploeg slechts twee niet-Huissenaren, Baljakin en Rob Clerc. “De rest is echt eigen teelt”, meldt Levels, die veel verwacht van de huidige jeugd, van wie bijvoorbeeld de broertjes Mark en Freddy Kemperman (al opgenomen in de hoofdmacht) veelbelovend zijn. En bij de pupillen maakt ene Gérard Willemsen eveneens grote indruk. Levels voegt daar trots aan toe dat twee Huissenaren thans met twaalf concurrenten meestrijden om de Nederlandse titel, Geert van Aalten - in 1975 werd hij in Amsterdam jeugdwereldkampioen - en Gérard Jansen. Het zijn twee bekende achternamen in Huissen. Hun voorvaders zaten immers ook al achter het bord. In hun tijd timmerde damstad Huissen al aan de weg door (in 1934) de WK-match tussen de befaamde Piet Roozenburg en Wim Huisman te organiseren, waarvoor de publieke belangstelling al bijzonder groot was. “Logisch, want elke Huissenaar heeft een aangeboren liefde voor het damspel”, weet Levels.

En hij verwijst naar vroeger, naar de tijden dat hij en zijn generatiegenoten door hun ouders het land op werden gestuurd om te werken. “Als het even kon”, legt Levels uit, “als moe niet keek, dan pletten we daar tussen de bonestaken een stukje grond en tekenden met een stok een dambord uit. We sneden aardappels doormidden: het ene deel diende als witte schijven, de omgedraaide met schil vormden de zwarte. Op het speelveld was geen zwart of wit aangebracht, maar dat maakte niet uit. We wisten natuurlijk heel goed hoe dat allemaal zat. Want we kwamen uit Huissen, meneer, dus waren we goeie dammers. Zo simpel lag dat.”

    • Guido de Vries