Zenmeester

Ik zit in de trein, we zijn in Noord-Frankrijk, buiten is onweer en er valt me een gedicht in:

Hoe bewonderenswaardig

Hij die niet denkt: 'het leven is als een flits'

Als hij de bliksem ziet!

Bewonderenswaardig inderdaad, hoe scherp de Japanse dichter meer dan driehonderd jaar geleden een inzicht uitdrukte waar de filosoof een boek voor nodig heeft. En paradoxaal, omdat het gedicht net het omgekeerde bewerkt van wat het aanbeveelt. Het zegt dat de bliksem een bliksem is en niet een symbool en dat wie zoekt naar algemene levenswijsheden het concrete onweer niet meer ziet. Maar wat het bewerkt is dat ik nu inderdaad het onweer niet meer zie als een onweer, maar als het leermateriaal van Japanse Zenmeesters die de waarde van de spontane ervaring benadrukken. Het dilemma van de beginnende leerling. Hij leert dat hij het onweer moet zien, maar hij ziet de theorieën van zijn meester. Misschien was dat wel de bedoeling van de dichter, om me zo via een omweg tot het inzicht te brengen dat dit geen echt dilemma is, omdat mijn gemijmer een even concreet natuurverschijnsel is als de bliksem boven het veld en de regen op de ruit.

Zo gaat de reis snel, we zijn in België en er komen nieuwe kaartjescontroleurs. Rechts voor me zit een jongen van wie het treinkaartje niet helemaal in orde blijkt te zijn. “Waar wilt u heen?“ vraagt de controleur. “Naar Keulen.“ “Dan zit u verkeerd. Deze trein gaat over Brussel, Antwerpen, Roosendaal, Den Haag...“ “Den Haag is ook goed“, zegt de jongen. De controleur is verbaasd. “Waar wilt u nu heen, Keulen of Den Haag?“ “Dat geeft niet.“ De controleur begint zich te ergeren. “Moet ik u een lesje in geografie geven? Keulen ligt in Duitsland, Den Haag in Nederland. Het is een van de twee. Wat zal het zijn?“ “Dat weet ik nog niet“, zegt de jongen.

Waarheen de wind ook waait

Welke weg ook de wereld gaat

Is voor mij volstrekt in orde.

De controleur geeft het op, hij besluit dat zijn Nederlandse collega's dit mogen oplossen en schrijft een kaartje dat geldig is tot de Nederlandse grens.

Bewonderenswaardig is hij die nu niet denkt: het leven is een voortdurende tweesprong. Maar ik ben een beginnende leerling, ik kan het speculeren nog niet laten. De jongen blijkt niet alleen wat zijn reisdoel betreft onbesluitvaardig te zijn. Zijn gedrag is grillig. Het lijkt of hij niet weet of hij vooruit of achteruit moet reizen, of hij in de eerste of de tweede klas moet verblijven, of hij moet zitten of moet staan. Ik besef dat hij zijn beslissingen van het toeval af laat hangen. Hij is een dobbelman, zoals twintig jaar geleden beschreven in het boek The Diceman van Luke Rhinehart. De dobbelman laat al zijn beslissingen afhangen van het rollen van de dobbelsteen. Een vorm van psychotherapie. Bevrijding uit het harnas van de zogenaamde persoonlijkheid. De chaos van het leven overwint de dodelijkheid van de verstarde orde. Niet ongevaarlijk natuurlijk, maar alleen de dood is veilig. Het boek werd indertijd beschreven als een 'cult classic', maar de aanhangers van deze cultus heb ik nog niet vaak in het echt mogen zien. Eén keertje, bij een schaaktoernooi, toen iemand in de Meranervariant de keuze tussen 10.e5 en 10.d5 van de dobbelsteen liet afhangen en toen makkelijk won van zijn verblufte tegenstander. Het zou werkelijk geestverruimend zijn en heilzaam voor het Nederlandse volk als je het vaker zag. Brinkman op de televisie, wil hij na de verkiezingen samenwerken met de socialisten of de liberalen? Hij glimlacht, pakt zijn dobbelbeker, gooit, kijkt en zegt: “We staan voor harde beslissingen, niet omdat we dat zo leuk vinden, maar voor de werkgelegenheid zullen we moeten aanvaarden dat het bami-akkoord van Bergschenhoek dat we met de socialisten hebben gesloten, niet meer van deze tijd is.“ Ik denk dat de ongrijpbare Dries van Agt vroeger zo te werk ging.

De dobbeljongen in de trein heb ik geen stenen zien gebruiken, maar dat zegt niets, want alles kan dienen als dobbelsteen, de beweging van de schaduw op de wand, het aantal auto's dat buiten met ons meerijdt. En bovendien, de dobbelsteen is maar een armzalig, typisch westers technologisch hulpmiddel op de weg naar de verlichting, een kruk die de volleerde meester allang heeft weggegooid. De jongen heeft de dobbelsteen geïnternaliseerd, zodat hij werkelijk spontaan kan zeggen: Keulen, Den Haag, waar de wind me waait is het mij goed.

We zijn nu in Nederland. Nieuwe controleurs. De jongen is weg en er is nog iets anders weg. De overjas van een meisje dat in Antwerpen is ingestapt. Een controleur vraagt of we iets verdachts hebben gezien. Iemand zegt dat er een Franse jongen was die zich vreemd gedroeg en in Roosendaal uitstapte. Het signalement wordt opgenomen en via een draagbare telefoon aan de opsporingsinstanties doorgegeven.

In Den Haag stapt het meisje uit, zonder jas. Even later komt de jongen weer binnen en hij gaat op zijn oude plaats zitten. De informant die een vreemdeling als dief heeft aangegeven, alleen omdat hij zich ongewoon gedroeg, pakt een boek en verbergt zich erin.

We naderen Amsterdam. De Franse jongen pakt zijn tas uit het rek, haalt er een meisjesjas uit en kleedt zich aan. Het kost me enige moeite om me het woord voor te houden van de Chinese meester uit de elfde eeuw die zei:

Als je een echte man bent

Kan je zonder meer wegrijden met de os van de boer

Of het voedsel van een uitgehongerde man pakken.

De meester uit de trein gaat het perron op. Voor hem had het Keulen kunnen zijn of Den Haag, maar het is Amsterdam geworden. Ik ben vandaag zijn leerling. Via de gracht of de straat, vraagt de taxichauffeur. Waar de wind me waait, op een verlicht pad? Nee, toch maar niet. Naar huis, om het te beschrijven.