Zeeuws-Vlaams geschil over grensgeul

Het Zwin aan de kust bij Cadzand is het enige grensoverschrijdende natuurreservaat van Nederland en België. De verzanding van de geul gaat door en dat geeft meningsverschillen.

CADZAND, 29 MAART. Lopen van Nederland naar België en omgekeerd kan gevaarlijk zijn, althans langs de Noordzeekust tussen Cadzand (Zeeuws-Vlaanderen) en Knokke. Daar ligt het Zwin, een geul of slufter door strand en duin op de grens van beide landen. Bij eb is het een watertje van vijftien meter breed en een halve meter diep, maar bij vloed stroomt de geul vol tot een breedte van tachtig en een diepte van twee meter. Die wisseling der getijden heeft al verscheidene wandelaars verrast. Op de heenweg konden ze pootjebadend oversteken, maar terug verloren ze de vaste grond onder hun voeten en verdronken.

Ooit was het Zwin een machtige, diep het land instekende zeearm, die een stad als Brugge tot bloei bracht, maar door eeuwenlange verzanding is er slechts anderhalve kilometer bij de monding van overgebleven. Maar wel een fraai overblijfsel. Met bijbehorende schorren, slikken en duinen vormt de slufter een belangrijk natuurreservaat, dat zich voornamelijk op Belgisch grondgebied uitstrekt. Het Nederlands deel - 65 hectare - is in beheer bij de stichting Het Zeeuwse Landschap, die met haar Vlaamse broeders waakt over plant en dier, in het bijzonder de rijke vogelwereld van kluten, tureluurs, eenden en ganzen.

Intussen gaat de verzanding, die in de Middeleeuwen het economisch verval van Brugge tot gevolg had, nog altijd door. Iedere vloed brengt meer zand naar binnen dan er bij eb uitgaat, zodat het reservaat langzaam stijgt en ook de resterende geul op den duur geheel kan verdwijnen. Dit proces is onderwerp van overleg in de Belgisch-Nederlandse Zwincommissie en heeft daar tot verschillen van inzicht geleid.

De bioloog G.J. Buth, hoofd terreinbeheer van Het Zeeuwse Landschap, weet er als lid van een gemengde ambtelijke werkgroep van mee te praten: “Wij van Nederlandse kant vinden dat je de natuur haar gang moet laten gaan. Als het Zwin zou verzanden, dan moet dat maar, dan kan er later misschien bos gaan groeien, maar de Belgen willen de huidige toestand handhaven. Ze stellen zich met betrekking tot het Zwin uiterst behoedzaam op, omdat ze langs hun kust nog maar zo weinig gaaf duingebied over hebben. In het zuidwesten bij De Panne een stukje en dan hier, maar voor de rest is het één lange pretboulevard.”

Volgens Buth is Nederland - “uit hoofde van goed nabuurschap” - bereid tot een concessie: “Als er een plan te verzinnen is om met één omvangrijke technische ingreep de verzanding tegen te gaan, dan kunnen we daarmee instemmen. Te denken valt aan een verlaging van het schorrengebiedgebied met één meter, wat betekent dat er een miljoen kubieke meter zand en slib moet worden weggehaald. Dan kun je weer enkele tientallen jaren verder. Maar we zijn erop tegen om de geul elk jaar opnieuw met bulldozers te laten uitbaggeren.”

Een andere bedreiging van het Zwin is vooralsnog afgewend. De aangrenzende badplaats Cadzand, onderdeel van de gemeente Oostburg, zou tot een soort kuuroord moeten uitgroeien om meer toeristen te trekken, maar plannen in die richting van enkele projectontwikkelaars, gesteund door de gemeente, stuitten op verzet van de milieubeweging. Het kwam tot een zaak voor de Raad van State, die de tegenstanders voorlopig in het gelijk stelde.

Wel hebben de betrokken gemeenten - ook Sluis, waar het Nederlandse Zwin onder valt - volgens Buth de laatste tijd meer oog voor de natuur: “Die geeft immers een meerwaarde aan de recreatie.” Maar ze zijn minder beschermingsgezind dan bijvoorbeeld Het Zeeuwse Landschap. “Wij vinden”, zegt Buth, “dat de grenzen van de recreatieve groei zijn bereikt of al overschreden, terwijl de gemeenten nog mogelijkheden voor uitbreiding zien.”

Een van hogerhand gestimuleerde ontwikkeling die gunstig belooft uit te pakken, is een ruilverkaveling langs de kust en verder landinwaarts. Die voorziet in een uitbreiding van de natuur nadat enkele honderden hectaren agrarische grond uit produktie zijn genomen. De bedoeling is de oude Zwingeul en aftakkingen deels in ere te herstellen door hier en daar de bodem uit de diepen, zodat het grondwater aan de oppervlakte komt, en nog bestaande kreken te verlengen of aan elkaar vast te knopen.

Iets dergelijks moet ook aan de andere kant van de grens gebeuren, maar daar gaat het allemaal veel trager dan hier. Buth: “In Nederland zijn er rijksfondsen om landbouwgrond voor reservaatvorming op te kopen, maar die ontbreken in België. Daarom moet het geld er voor elke hectare worden bijeengesprokkeld. Met particuliere bijdragen, acties, verlotingen zelfs. Nee, dan kunnen wij in Nederland beter uit de voeten.”

    • F.G. de Ruiter