Vergrovende effecten zijn bij snelrecht niet te vermijden

ROTTERDAM, 29 MAART. De spoedberechting van drugrunnertjes in Rotterdam roept de vraag op of snelrecht ook snelrecht is. Vergen straffen in de orde van twee maanden cel niet wat meer dan een berechting in sneltreinvaart?

De wet is echter duidelijk: bij aanhouding op heterdaad en onmiddellijke voorgeleiding aan een officier van justitie kan deze de verdachte direct voor de politierechter brengen. De normale termijn voor dagvaarding hoeft dan niet in acht te worden genomen. De politierechter is in de jaren twintig, nog voor het huidige wetboek van strafvordering, toch al ingesteld om “een voortvarende afdoening van zaken” te bevorderen. Daarbij is wel bepaald dat hij nooit meer dan zes maanden gevangenisstraf mag opleggen. De normale termijn van dagvaarding bij de politierechter bedraagt tenminste drie dagen. Dit maakt het in principe al mogelijk verdachten te berechten binnen de termijn die is gesteld aan de inverzekeringstelling van arrestanten op het politiebureau. Verdachten kunnen daar op bevel van een officier van justitie maximaal vier maal vierentwintig uur worden vastgehouden.

Met de dagvaardingstermijn is de afgelopen jaren in het geval van de politierechter overigens raar gegoocheld. In 1991 werd de termijn van drie dagen afgeschaft, zodat de tien dagen gingen gelden die voor een normale rechtbankzaak staan. Snelrecht werd daardoor afhankelijk van de toestemming van de verdachte. Om deze toestemming structureel te vragen, leverde echter principiële en praktische bezwaren op, zo realiseerde de regering zich alsnog. Daarom werd vorig jaar de termijn toch maar weer op drie dagen gebracht.

Herinvoering van deze mogelijkheid benadrukt het uitzonderlijk karakter van snelrecht (dagvaarding op de eerstvolgende zitting). Men spreekt in dit verband wel van “supersnelrecht”, al was een lid van het Openbaar Ministerie enkele jaren geleden daar niet gelukkig mee: “het is geen benzine”. Niet alle vakmensen zien dat echter zo. In de jaren zeventig gooide de toenmalige Amsterdamse hoofdoficier van justitie Hartsuiker in de Telegraaf een balletje op voor snelrecht tegen de zogeheten Vondelparkdelicten - overlast door het hippiedom. Na het snelrecht van zakkenrollers met Pasen in Amsterdam pleitte hoofdcommissaris Nordholt vorig jaar voor “steeksproefsgewijze” snelrechtzittingen en toepassing van het lik-op-stuk-beleid bij grote voetbalwedstrijden met een verhoogd risico. Zijn Rotterdamse collega Hessing heeft zelfs aangedrongen op snelrecht-het-klokje-rond, een soort “night court”.

Het snelrecht met Pasen wordt in Amsterdam dit jaar overigens niet herhaald. Het was ook niet zo'n sterke vertoning. Na alle bombarie vooraf viel het aantal arrestanten wat tegen - al kon dit natuurlijk ook worden opgevat als het beste bewijs van succes. De rechtbank pruttelde echter binnenskamers dat supersnelrecht niet werkelijk nodig is om de Paasdrukte op te vangen. En advocaten protesteerden dat er zwaardere straffen werden gevorderd en opgelegd dan de normale tarieven. De persofficier van justitie ontkende dat. Een vergrovend effect is echter vrijwel niet te vermijden. Het stellen van een voorbeeld is immers de bestaansreden van snelrecht en dat verdraagt zich slecht met de klassieke opdracht ieder het zijne te geven.

Geheel met lege handen staat de verdachte in een snelrechtprocedure overigens niet. Hij kan een bezwaarschrift tegen de berechting indienen of schorsing vragen, hetgeen de rechter dient te honoreren. Het belangrijkst blijft de aanwezigheid van een advocaat. Daarbij kan niet alles worden opgeofferd aan de haast, beslistte het Hof in Amsterdam in 1985 in het geval van snelrecht na de onruiming van een befaamd kraakpand. De raadslieden hadden slechts enkele minuten tot een half uurtje voor overleg met de verdachten gekregen, en dat nog niet eens onder vier ogen. Het Hof oordeelde dit in strijd met de Europese basisnorm dat de verdediging voldoende tijd en faciliteiten dient te krijgen.