Trotse Afghanen laten nu hun kinderen bedelen

Sinds de mujahedeen twee jaar geleden hun intocht hielden in Kabul is de toestand er schoksgewijs verslechterd. Begin januari barstte een nieuwe hevige gevechtsronde los tussen de facties in de zwaargehavende Afghaanse hoofdstad.

KABUL, 29 MAART. In de duistere gewelven onder een half afgebouwde dependance van het hospitaal hebben ongeveer duizend haveloze inwoners van Kabul een goed heenkomen gezocht voor de gevechten die de Afghaanse hoofdstad al maanden teisteren. Op de modderige grond hebben ze lappen uitgespreid, waarop ze overnachten. Er hangt een dichte rooksluier van houtvuurtjes waarop ze water koken en waarmee ze zich een beetje warm houden. De meesten hebben al in geen weken een fatsoenlijk maal gehad. Ze leven op stukjes nan, het ongerezen Afghaanse brood, en thee. “Dit is erger dan Les Misérables”, mompelt mijn Franstalige tolk.

Khatema, een vrouw met een ingevallen gezicht, vertelt dat ze begin januari hals over kop haar woning in de oude stad is ontvlucht, toen die in de vuurlinie kwam te liggen. Ongeveer tezelfdertijd werd die leeggehaald door plunderende strijders. Ze zit hier nu samen met haar werkloze broer en haar vijf kinderen. Haar man is vier jaar geleden als soldaat van het communistische leger gesneuveld.

Geld om eten te kopen hebben ze niet meer, laat staan om een buskaartje naar veiliger oorden te nemen. “Het meel dat we van het Rode Kruis kregen is al weer tien dagen op”, zegt Khatema, terwijl in de nabijheid van het hospitaal enkele granaten dreunend inslaan. “Ik stuur mijn kinderen nu de straat op om te bedelen.” Het is een teken van uiterste wanhoop, want de trotse Afghanen bedelen gewoonlijk niet snel.

Sinds 1 januari zijn er in Kabul en directe omgeving 2.500 doden gevallen en 17.000 gewonden. De gevechten spelen zich af in ingewikkelde, steeds wisselende allianties. Vergeleken hiermee is zelfs de Bosnische crisis een toonbeeld van logica. De enige constante is dat premier Gulbuddin Hekmatyar steeds strijdt tegen zijn rivalen president Burhanuddin Rabbani en diens militaire leider Ahmed Shah Massoud.

De strijd heeft diepe sporen nagelaten. Het oude centrum langs de rivier de Kabul, waar eens het hart van de stad klopte en alle rassen en geloven uit Centraal-Azië elkaar ontmoetten, is herschapen in één troosteloze puinhoop. Gewone burgers zijn hier nauwelijks meer. Nog steeds loopt het front dwars door de oude stad en 's avonds bevechten de mannen van de verschillende facties elkaar hier van ruïne tot ruïne.

Ook andere wijken hebben het zwaar te verduren gehad. Er zijn maar weinig buurten die de afgelopen twee jaar geheel gevrijwaard zijn gebleven van beschietingen of bombardementen. Wie in Kabul de weg vraagt, krijgt al gauw te horen: sla bij die diepe bomkrater in de weg linksaf en ga daarna rechtdoor tot die grote ruïne.

Pag.4: 'Laat onze leiders op een onbewoonde berg vechten'

De gevechten van de laatste maanden hebben binnen Kabul tot een ware volksverhuizing geleid. Wijken in de frontlijn zijn nagenoeg uitgestorven, maar andere buurten waar weinig is gevochten zijn juist overspoeld door duizenden nieuwkomers. Alles bijeen zijn er zo'n 300.000 mensen binnen de stad verhuisd, en een zelfde aantal heeft de benen genomen naar Jalalabad en andere, veiligere plaatsen buiten de hoofdstad.

Het kwetsbaarst is een groep van 50.000 arme ontheemden in Kabul, die geen geld of familie in betere oorden heeft waarop ze een beroep kan doen. Ze verblijven nu in scholen, moskeeën en andere openbare locaties. Tot deze groep horen ook de mensen in de gewelven bij het militaire hospitaal. “We richten onze voedselhulp vooral op deze categorie”, zegt Andreas Pfiffner van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) in Kabul.

De voedselhulp van de internationale hulporganisaties is echter maar een druppel op een gloeiende plaat. Om te beginnen hadden maar weinig buitenlandse hulpverleners de moed om in Kabul te blijven na het uitbreken van de gevechten in januari. Zoals wel vaker in crisissituaties waren met name de buitenlandse medewerkers van de Verenigde Naties snel vertrokken.

De resterende hulpverleners moeten zich in allerlei bochten wringen om hun werk te doen. Telkens weer moet het ICRC uitputtende onderhandelingen voeren met Hekmatyar, die de aanvoerlijnen naar Kabul al weken afgesloten houdt. Daar zetelen zijn rivalen Rabbani en Massoud. Van samenwerking tussen president en premier is vanaf het eerste ogenblik geen sprake geweest. Sinds zijn aantreden heeft de premier nooit een voet in het centrum van Kabul durven zetten. De ambitieuze Hekmatyar schuwt echter geen middel om zijn vijanden in het nauw te drijven en als daarvan honderdduizenden burgers de dupe worden, zij dat zo. Af en toe laat hij wat voedsel door als een “humanitair gebaar”.

Intussen worden de gevechten in golven voortgezet. Vrijdagavond en zaterdagmorgen flakkerde de strijd fel op. Resultaat: 25 doden en ruim 100 gewonden. Daarna keerde de rust echter weer even terug. Maar er verstrijkt geen dag dat er niet ergens stevig wordt geschoten. Veel mujahedeen - de strijders die zich in de jaren tachtig faam verwierven met hun strijd tegen het binnengevallen Sovjet-leger - lijken een dag zonder beschietingen als mislukt te beschouwen.

De roemrijke strijders van weleer hebben hun populariteit sinds de val van de Afghaanse communisten, twee jaar geleden, grotendeels verspeeld. Niet alleen drijven ze de burgers met hun eindeloze gevechten tot wanhoop, ook bestelen ze dikwijls de burgers bij huiszoekingen en andere gelegenheden. Mensen op straat worden vaak aangehouden en mogen pas verder nadat ze hun bagage of althans een deel daarvan hebben afgestaan aan de mujahedeen. Ook de mannen van Massoud, die de naam hadden gedisciplineerd te zijn, bezondigen zich tegenwoordig aan dit soort praktijken.

Op de markten van de stad vormen de mujahedeen de belangrijkste klanten. Met veel branie, hun kalasjnikov over de schouder, lopen ze rond met pas aangeschafte radio's, televisies en tapijten, die in het nauw geraakte burgers verkopen om eten te kunnen kopen. Ook in restaurantjes bestaat de klandizie voor een belangrijk deel uit strijders, vaak pubers van tussen de 15 en 20 jaar, die even een pauze nemen tussen de gevechten door. De rest van de bevolking kan zich de luxe van een restaurant niet veroorloven.

Eén van de inwoners van Kabul die het optreden van de mujahedeen met gemengde gevoelens gadeslaan, is de 35-jarige Asadullah. In een straat in de noordwestelijke wijk Khairkhana heeft hij zijn bezittingen uitgestald: twee lampen en een fraai wijnrood tapijt, waarop bezoekers plaats mogen nemen. Zijn koelkast en televisie is hij al kwijt, aan mujahedeen. In heel Kabul krioelt het van de mensen die hun spullen, van tapijten tot theekopjes, noodgedwongen te gelde proberen te maken in ruil voor wat eten.

Asadullah werkte tot vorig herfst voor een reclamebureau. Maar zijn kantoor lag in de frontlijn en bovendien was de animo voor advertenties gering. Zoals tienduizenden in de hoofdstad heeft hij al in geen maanden salaris uitbetaald gekregen. Intussen moest hij wel zijn familie van acht mensen in leven houden, terwijl de voedselprijzen gestadig stijgen. Een kilo vlees kost nu 4.000 afghanis, ruim het drievoudige van wat het een jaar geleden was. “Dan kun je de gedachte aan vlees wel uit je hoofd zetten”, zegt Asadullah mismoedig. Drie weken geleden heeft hij voor het laatst een hap vlees geproefd.

In de tijd dat de laatste communistische Afghaanse president Najibullah met steun van Moskou in Kabul heerste, bleef de Afghaanse hoofdstad grotendeels gevrijwaard van gevechten. Honderdduizenden Afghanen uit het hele land trokken juist hierom naar Kabul, zodat de bevolking aanzwol tot meer dan twee miljoen. De strijd tussen de verschillende mujahedeen-facties om de controle in de stad sinds de lente van 1992 heeft echter een zware tol geëist. De levensomstandigheden zijn voortdurend verslechterd. Sinds oktober wordt er geen elektriciteit meer geleverd en ook stromend water is er al maanden niet meer. Inmiddels is het inwonertal tot beneden het miljoen gedaald.

Het front loopt kilometers lang door de uitgestrekte stad heen. Alleen aan het begin van de jongste ronde in januari verschoof het flink. Daarna bleef het ondanks zware gevechten min of meer stabiel. De troepen van president Rabbani controleren het belangrijkste gedeelte van de stad ten noorden van de rivier, terwijl Hekmatyars mannen gesteund door de Oezbeken van generaal Rasheed Dostam in het zuiden en oosten sterk zijn. In het zuidwesten maakt de shi'itische groep Hezb-i-Wahdat de dienst uit. Daartussen bevinden zich hier en daar nog lokale potentaatjes van andere groeperingen.

In de oude stad is de schade het meest schrijnend. De van een fraaie blauwe koepel voorziene moskee in het centrum van de stad kan worden omgedoopt in de Zwarte Moskee. Zij is zwaar gehavend en de koepel is geheel zwart geblakerd. In de wijken bij de rivier woont bijna niemand meer. De nog door de Russen aangelegde flatgebouwen in Mikrorayon vertonen diepe gaten en er is vrijwel nergens meer een raam dat nog heel is. Vooral in straten die in het schootsveld van stellingen op de heuvels om de stad liggen, vertonen zich nauwelijks mensen. Ook sommige wijken buiten het centrum hebben zwaar geleden, zoals de westelijke wijk Karta Se en de industrieterreinen in het noorden.

De ziekenhuizen liggen permanent vol gewonden. In het ziekenhuis van Karta Se ligt de twaalfjarige Daud onrustig te slapen. Hij is zaterdag zwaargewond geraakt bij een luchtbombardement van Rabbani's vliegtuigen op het dorpje Bini Hisar, dat in handen is van Hekmatyar. Er vielen ten minste vijf doden en tientallen gewonden. De artsen zijn niet optimistisch over Dauds kansen op overleving.

Even verderop zit een moeder bij haar dochter, die gewond raakte toen er een raket neerkwam op hun woning. Het is al haar tweede dochter die gewond raakte in de oorlog. Een andere moest eerder een been missen, eveneens als gevolg van een raket. “Ik wil vrede, ik haat de oorlog”, zegt de vrouw. “Waarom gaan Rabbani en Hekmatyar niet naar een onbewoonde berg om daar hun strijd uit te vechten, zodat de burgers er niet steeds de dupe van worden?”

    • Floris van Straaten