Toren van Babel wordt probleem van onze kennismaatschappij

Kennis is de essentiële produktiefactor in de post-kapitalistische maatschappij, zegt Peter Drucker. De befaamde management-goeroe verwacht dat de dienstensector zal blijven groeien. Toch dreigt het gevaar van een nieuwe klassenmaatschappij. 'Ons fundamentele probleem wordt dat van de toren van Babel'.

Peter Drucker is in veel opzichten een man van de overtreffende trap. Hij vond in de jaren veertig als Oostenrijkse immigrant - samen met zijn onlangs overleden vriend Edwards Deming - in feite de serieuze management-studie uit. Sinds 1939 schreef hij er 34 boeken over die in 24 talen werden uitgebracht, leverde tussendoor tientallen bijdragen aan de Harvard Business Review, en maakte vooral de laatste jaren vruchtbare omzwervingen in filosofie, historie en sociologie. Zijn laatste boek 'Post-capitalist Society' (1993) biedt lucide vergezichten in de snel opkomende 'kennis-maatschappij'.

Peter Drucker verzamelde tot op heden negentien eredoctoraten en zes landen, doceert op 85-jarige leeftijd nog monter aan de Claremont Graduate School in Los Angeles waar het hoofdgebouw zijn naam draagt, en toont onverminderd ambitie. “Gisteren schreef ik een artikel van 4000 woorden in 4 uur”, imponeert de rijzige grijsaard zijn bezoeker. “Niet gek hè.” In het internationale lezingencircuit behoort hij met Michael Porter en Tom Peters nog altijd tot de topcategorie van 25.000 dollar-plus per uur verdieners. Maar deze verslaggever stond hij gratis te woord, 'zolang u maar wenst', dat wil zeggen ruim twee uur.

De reden is niet ver te zoeken: “Ik moet één van uw oudste lezers zijn. Want toen ik me in 1929 als Oostenrijker in Berlijn vestigde als financieel journalist en correspondent voor de Manchester Guardian, behoorde ook jullie NRC tot mijn dagelijkse leeskost. Die was toen goed in Europese financiële berichtgeving.” Maar las u dan Nederlands? Drucker: “Mijn vader was destijds chef van de Oostenrijkse diplomatie en liet ons drietalig - Duits, Frans, Engels - opvoeden. Als je dan een Nederlandse tekst onder ogen krijgt, weet je ongeveer wat er staat.”

Dat Peter Drucker wel de aartsvader der management-goeroes wordt genoemd, vindt hij geen compliment. “Ik zeg al jaren dat het woord goeroe vooral wordt gebruikt omdat het woord charlatan te lang is voor krantenkoppen. Ik haat ze.” De serieuze managementconsulent vindt hij des te belangrijker. Drucker: “Een doorsnee-manager kent maar één of enkele bedrijven en dan meestal uit dezelfde sector. Zijn ervaring is dus beperkt en niet zelden is hij zelf een deel van het probleem. Je zou een manager kunnen vergelijken met de lijfarts van een koning. Dat zijn de slechtste dokters want ze zien maar één patiënt. Goede dokters zien vele patiënten. Managementconsulenten zien vele bedrijven en dat verklaart hun huidige prominente positie. Tegelijk is er geen goede praktijk mogelijk zonder goede theorie en dat tekent het belang van de management-theorie.”

Tot de tweede wereldoorlog bestond die theorie nauwelijks, verzekert de stoelschommeldende Drucker in zijn ruimbemeten bungalow in Claremont. “Vrijwel niemand stelde zich vijftig jaar geleden vragen als: Wat is een bedrijf? Wat betekent eigenlijk het managen van een bedrijf? Het bedrijf werd als een volstrekt vanzelfsprekende institutie aanvaard. En een manager was gewoon een baas die verantwoordelijk was voor het werk van zijn ondergeschikten. Velen denken dat nu nog. Maar al in de jaren vijftig werd in vakkring steeds meer mijn definitie gevolgd: Een manager is verantwoordelijk voor het goed functioneren van mensen. Later bleek die beschrijving te beperkt en de correcte definitie luidt mijns inziens nu: Een manager is verantwoordelijk voor de toepassing van kennis en de resultaten daarvan.”

Waarmee we in één sprong zijn beland bij Druckers grote interesse van de laatste jaren: het explosief gegroeide belang van kennis en de oprukkende kenniseconomie en kennismaatschappij. Als hij daarover uitwijdt blijkt zijn grote liefde voor historische vergezichten.

Door de vele eeuwen heen”, doceert Drucker, “werd kennis zowel in het Oosten als het Westen beschouwd als van toepassing op wat iets of iemand was. In de tweede helft van de achttiende eeuw kwam de grote omwenteling. Kennis werd toen tamelijk plotseling gezien als van toepassing op hoe iets werd gedaan. Met andere woorden, in het kader van de industriële revolutie werd kennis ineens toegepast op gereedschappen, processen en produkten. Daardoor ontstonden ook nieuwe sociale klassen, klassenstrijd, vervreemding, Verelendung en Karl Marx' verlossende theorie van het communisme. Voor Marx stond immers vast dat de produktie alleen kon worden opgevoerd door langer en harder te werken. Dat was ook nooit anders geweest.”

“Maar toen Karl Marx in 1883 de laatste adem uitblies, had hij er geen idee van dat Frederic Winslow Taylor in de VS juist sensationale resultaten ging boeken met alweer een nieuwe omwenteling, namelijk de toepassing van kennis op arbeid. Dat betekende het begin van de produktiviteitsrevolutie die in de navolgende driekwart eeuw Marx' trieste proletariaat zou veranderen tot een welvarende middenklasse. Zo werden klassenstrijd en communisme verslagen door de ongekende produktiviteitsrevolutie.”

Volgens Peter Drucker begon de produktiviteit al kort na de toepassing van Taylors opzienbarende inzichten over de wetenschappelijke analyse en verdeling van arbeid met 3 à 4 procent per jaar te groeien. Nu is die produktiviteit ongeveer vijftig keer groter dan een eeuw geleden. Drucker: “Ruim de helft van de produktiviteitsstijging ging naar grotere koopkracht en meer welvaart, de rest vooral naar vrije tijd. Tot 1910 werkten de mensen in ontwikkelde landen minimaal 3000 uur per jaar. Nu halen zelfs Japanners nauwelijks meer 2000 uur, de Amerikanen 1850 en de Westeuropeanen 1600 à 1700 uur.”

Na de industriële en produktiviteitsrevoluties zijn we nu beland bij wat Drucker pleegt te omschrijven als de management-revolutie, oftewel de toepassing van kennis op kennis. “Kennis is de essentiële produktiefactor geworden”, legt hij uit. “Het belang van natuur, arbeid en kapitaal ligt vooral nog in de beperkingen die zij opleggen. Zonder die drie produktiefactoren kan zelfs kennis niets opleveren en management niets doen. Maar waar het management goed functioneert en kennis wordt toegepast op kennis, kunnen de andere drie produktiefactoren altijd worden verkregen. Daarmee is kennis van een hulpbron tot dé hulpbron geworden, wat leidt tot de post-kapitalistische maatschappij met een fundamenteel andere structuur en dynamiek.”

Overdreven? In de VS overtroffen in 1991 de investeringen in computer en telecommunicatie-uitrusting - de voornaamste gereedschappen van de kennis-economie - voor het eerst de kapitaaluitgaven voor de traditionele industrie, bouw en mijnbouw. En daarbij werd niet eens rekening gehouden met het groeiende kennisgehalte in 'traditionele' machines die tegenwoordig vaak voorzien zijn van gecomputeriseerde controle-uitrusting en aangesloten op netwerken. Kortom, de heroïsche staalarbeider die vuurvast afsteekt tegen de rode achtergrondschijn van ovens wordt gaandeweg vervangen door de employé in stofjas die achter schermen en knoppen zit en 's avonds een cursus procescontrole volgt. Drucker: “De superrijken van het oude kapitalisme waren staalbaronnen, nu zijn het computer- en software-producenten.”

Natuurlijk trokken al deze ontwikkelingen diepe sporen door de maatschappij. Zo daalde het aantal agrarische werkers ondanks steeds hogere produktiecijfers van meer dan de helft in 1900 tot luttele procenten nu. En het aantal mensen dat in traditionele takken van bedrijvigheid werkt, zoals industrie, bouw en mijnbouw, zal in 2000 in de ontwikkelde landen zijn gekelderd tot 15 of hoogstens 20 procent. De resterende driekwart-plus van de werkers valt naar Druckers taxatie onder te verdelen in drie ongeveer even grote groepen: de kenniswerkers, niet alleen 'echte' intellectuelen maar ook hoogwaardige specialisten, professionals en techneuten die alleen maar over hun eigen vak lezen; hoger opgeleide dienstverleners, zoals vertegenwoordigers, onderwijzers of ambtenaren; en laag opgeleide dienstverleners, zoals schoonmakers, chauffeurs of hamburgerserveerders, wier lonen steeds meer achterblijven bij die van de andere groepen.

Tot diep in de jaren tachtig maakten managers zich nog weinig zorgen over de sterk achterblijvende produktiviteit in de kennis- en dienstensectoren”, zegt Peter Drucker. “Hun excuus was steevast: zo iets valt nauwelijks of niet te meten. Maar nu de produktiviteitsrevoluties in landbouw en industrie voltooid raken, wordt een verhoging van de produktiviteit in de dominerende kennis- en dienstensectoren een absolute voorwaarde voor verder economische groei en sociale stabiliteit in onze post-kapitalistische maatschappij.”

Maar is het werkelijk mogelijk de produktiviteit in de kennis- en dienstensectoren even spectaculair op te voeren als in landbouw en industrie?

Peter Drucker denkt, nog altijd schommelend in zijn stoel, na waarbij hij licht spinnende geluiden produceert. Dan zegt hij: “Soms zal het moeilijker zijn maar vaak ook gemakkelijker. Ongeveer een kwart van alle dienstverlenende arbeid verschilt niet zoveel van het traditionele produktiewerk dat wordt verricht bij het maken en verplaatsen van dingen. Denk aan veel administratief werk, het uitreiken van rijbewijzen of het voorraadbeheer in een supermarkt. Dat werk kan worden geanalyseerd en opnieuw gestructureerd zodat het veel produktiever wordt.”

“Ook de keuze van een juist teamverband is van groot belang voor de produktiviteit. Grosse modo bestaan er drie soorten teams. Het eerste is vergelijkbaar met een honkbalteam waar iedere speler een vaste plaats heeft. 'Als je aan slag bent, sta je helemaal alleen', zeggen ze bij honkbal. Dit team past bij werk volgens vaste regels, bij massaproduktie, en is niet meer zo populair. Het tweede type team is als een voetbalploeg. Ook daar hebben de leden in principe vaste plaatsen maar ze hebben veel meer bewegingsvrijheid en coördineren hun werk voortdurend met anderen. Het derde team lijkt op een dubbelspel-tennisteam of, pakweg, een jazzcombo. Het mag niet te groot zijn, spelers hebben geen vaste maar voorkeursplaatsen, vallen voor elkaar in en vullen elkaar aan. Dit lijkt me het meest flexibele en veelbelovende team dat tegelijk de meeste oefening en zelfdiscipline van zijn leden vraagt. Pas als het soort team wordt gebruikt dat past bij een bepaald type arbeid, kan met succes worden gewerkt aan hogere produktiviteit.”

Tot slot noemt Drucker uitbesteding van dienstverlenend werk buiten de organisatie waaraan die diensten worden verleend een probaat middel om de produktiviteit van dat werk te verhogen. “Dat uitbesteden bevordert immers de concurrentie - een klant kan ook een ander schoonmaakbedrijf inhuren; het stimuleert de specialisatie - een schoonmaakbedrijf kan zich beter op zijn kerntaak concentreren en die beter uitvoeren; en het uitbesteden is goed voor de motivatie - een schoonmaker wordt in een afzonderlijk schoonmaakbedrijf serieuzer genomen en heeft daar meer promotiekansen.”

In Nederland is de vergaderplaag berucht en die bevordert de produktiviteit ook niet. Ziet u een remedie?

“Jazeker”, antwoordt de management-goeroe monter. “Kijk naar traditionele arbeid, en je ziet hoe die arbeid de werker stuurt. Een boer weet uit de aard van z'n werk precies wat hij moet doen en wanneer. Veel keuze heeft hij niet. Bij kenniswerk en veel dienstverlenende arbeid is het andersom. Daar bepaalt de werker goeddeels de inhoud van zijn werk. En meestal zonder veel acht te slaan op de produktiviteit. Zo wordt driekwart van de tijd vaak verknoeid, zoals ons tien jaar geleden ook bleek uit een studie onder Philips-ingenieurs in Eindhoven. Telefoontje daar, memootje hier, vergadering daar, een interview aan de NRC geven, allemaal dingen die vandaag absoluut niet bijdragen aan mijn produktiviteit. Die sterk te verhogen is heel simpel. Hoe? Door je voortdurend af te vragen: waar wordt ik écht voor betaald? Wat afvalt, moet je schrappen. Dan wordt je goud waard.”

Er zullen altijd mensen zijn die alleen hun spierkracht hebben te bieden en die komen vooral terecht in de door u genoemde categorie van laag betaalde dienstverleners. Dreigt daarmee geen nieuwe klassentegenstelling?

Drucker: “De snelle produktiviteitsverhoging van agrarische en industriële arbeiders maakte de afgelopen eeuw een resoluut einde aan de nachtmerrie van een klassenstrijd die toen alom werd verwacht. Inderdaad dreigt het gevaar dat de post-kapitalistische maatschappij opnieuw een klassenmaatschappij zal worden als grote groepen dienstverleners onvoldoende inkomen en waardigheid kunnen verwerven. Dat onderstreept juist de noodzaak van grotere produktiviteit en daarmee welvaartsgroei volgens de lijnen die ik zojuist schetste. Mogelijkheden genoeg.”

Blijft natuurlijk het feit dat die vergrote produktiviteit in landbouw en industrie daar tot een ongelofelijke uitstoot van arbeid leidde. Zal zo'n produktiviteitsverbetering niet hetzelfde effect hebben in de kennis- en dienstensectoren? En wat dan?

Professor Drucker zegt: “Als ik naar de situatie in de VS kijk, stel ik vast dat kennis- en dienstensectoren geweldige 'job-machines' waren. Ze zijn dat nog steeds en ik denk dat ze het voorlopig blijven. Steeds welvarender mensen gaan niet meer eten of veel meer huishoudelijke apparaten of auto's kopen, zodat landbouw en industrie als werkgelegenheidsbronnen verder opdrogen. Maar hun behoeften aan diensten, aan amusement, aan reizen, meer en beter onderwijs en gezondheidszorg is zo niet onbeperkt dan toch onoverzienbaar.”

“Weet je welke beroepsgroep de laatste twintig jaar in Californië het snelst groeide? De medische kenniswerkers - de x-ray mensen, de echo-sound technici, de fysiotherapeuten, noem ze maar op. Dat zijn ongelofelijk nuttige lui met steeds meer kennis. Vroeger bleef je na een heupbreuk gewoon pijn lijden en mank. Nu krijg je een paar maanden therapie en revalidatie, en ben je de rest van je leven weer produktief. Die revalidatie richt zich op steeds meer mensen, zoals kankerpatiënten, noem maar op. Een bijkomend probleem is dat de patiënt de revalidatie ook zelf moet willen en er de moed moet inhouden. Dus worden ook steeds meer psychotherapeuten bij de revalidatie ingeschakeld. En zo blijft die banen-carrousel draaien.”

U blijft dus optimist?

“Wat banengroei betreft wel”, zegt Drucker. “Maar ik zie een andere dreiging. Vroeger hoefde een samenleving nooit te praten over communicatie want de meeste mensen deden zo ongeveer hetzelfde - landbouw, huishouden, fabriekswerk. Vandaag hebben we in onze kennismaatschappij wel de mond vol over communicatie maar begrijpen mensen elkaar juist steeds minder door de steeds verdergaande specialisatie. In mijn jeugd had je naast vakopleiding ook Allgemeine Bildung en Humanismus. Nu wordt kennis steeds meer vakkennis en heeft men door de snelle ontwikkelingen ook weinig tijd meer voor wat anders. Ik heb drie fysici in mijn familie. Mijn vrouw is een klassieke fysicus, de man van mijn jongste dochter is hier een bekende nucleaire fysicus en een neef is astro-fysicus. Ik merk dat ze elkaar steeds minder begrijpen en als ze hier komen dineren, moet ik vaak interpreteren en bemiddelen. Ons fundamentele probleem wordt dat van de toren van Babel. De maatschappij gaat defecten vertonen omdat steeds meer specialisten steeds minder gemeenschappelijke bases, observaties en waarden hebben.”

Toch wil Peter Drucker waken tegen gedetailleerde futurologie of prognostiek, zeker waar het de lange termijn betreft. “Toen James Watts in 1780 de stoommachine had ontwikkeld tot een rendabele krachtbron had hij geen idee van de uitwerking van zijn vondst een eeuw later. Karl Marx dacht toen - met wetenschappelijke zekerheid nog wel - de twintigste eeuw te kunnen voorspellen. Maar hij miste de hele produktiviteitsrevolutie en bleek een valse profeet. Net zoals mijn kleinkinderen zich nu geen voorstelling kunnen maken van mijn jeugdwereld, blijft voor mij het einde van de 21-ste eeuw onvoorstelbaar. Misschien op een paar dingen na. Die samenleving zal, denk ik, niet kapitalistisch zijn noch marxistisch, maar wel door kennis gedreven. Wat goed is voor mensen met, en minder goed voor mensen zonder kennis. De economische uitdaging zal liggen in de produktiviteit van de kenniswerker en dienstverlener. En de sociale uitdaging schuilt in de waardigheid van de lager opgeleide dienstverlener.”