Teloorgang van God verarmt de wereld

Het SCP-rapport 'Secularisatie in Nederland 1966-1991' en het pleidooi van VVD-fractieleider Bolkestein voor christelijke normen hebben vele reacties opgeroepen. Op 7 maart reageerden op de opiniepagina de voorzitter van het Humanistisch Verbond Cliteur en de filosoof Van den Beld. Op 19 maart pleitte Antoine Bodar voor een herleving van christelijke waarden via de kunst en bestreed Van Nierop de stellingen van Van den Beld.

Het debat gaat door met een keuze uit de ingezonden bijdragen.

Tussen de beide wereldoorlogen was er in ons land een vereniging van atheïsten actief. Leden van die vereniging, met de Nietzscheaanse naam De Dageraad, beriepen zich in hun kritiek op het christendom nog wel eens op Jezus. De ontsteltenis die zij daarmee teweeg konden brengen is vergelijkbaar met de reactie van Van Nierop in de krant van afgelopen zaterdag op een eerder verschenen stukje van mij. Hoe durfde ik de atheïst Nietzsche als getuige op te voeren voor de stelling dat het christelijk geloof in God voor de mens van grote waarde is.

Wat was aan de orde? Ik haalde de uitspraak van Nietzsche aan dat het geloof dat er een God bestaat, die ons liefheeft en het goede van ons vraagt: 'heilsam, beruhigend und wohltuend' is. Ik liet er geen misverstand over bestaan dat Nietzsche dit geloof voor onwaar hield, maar heb niet betwist dat Nietzsche een scherp criticus van het christendom was. Christendom omvat echter veel meer dan geloof in God en kan daar niet mee worden gelijkgesteld.

Wat ik staande houd is dat Nietzsche oog heeft gehad voor de waarde van het bestaan van God en voor de waarde van wat met dat bestaan samenhangt. Het laatste omvat niet alleen het geloof in God, maar ook het geloof in waarheid, goedheid en de mogelijkheid van kennis en wetenschap. Dat Nietzsche als atheïst ambivalent stond tegenover de waarde van het bestaan van God, doet aan zijn erkenning van die waarde niets af.

Neem Nietzsches verhaal over 'der tolle Mensch' uit Die fröhliche Wissenschaft (III, 125). Een gek loopt op klaarlichte dag met een brandende lantaarn over de markt, onophoudelijk roepend: “ik zoek God.”.De markt is vol mensen die niet in God geloven en hem uitlachen. De gek doorboort ze met zijn blik en spreekt ze aan: “Waar is God heengegaan? Ik zal het u zeggen. Wij hebben hem gedood (...) Wat deden wij toen wij deze aarde van haar zon losmaakten? Waarheen beweegt zij zich nu? (...) God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood. Het heiligste en machtigste dat de wereld ooit bezat, is onder onze messen doodgebloed (...) Is de grootsheid van deze daad niet te groot voor ons? Moeten wij zelf geen goden worden?” Nietzsche lijkt te beweren dat het niet-bestaan, 'de dood' van God weliswaar een belofte inhoudt. Maar het is ontegenzeglijk ook een catastrofe. De mens is los van God, dat wil zeggen los van zijn zon. Nietzsche bespreekt in een volgend deel van het boek het absolute geloof van de wetenschap, dat waarheid boven alles gaat. Met dit geloof bevinden we ons volgens Nietzsche niet alleen op de bodem van de moraal, maar ook op het fundament van het metafysische en religieuze geloof in God: 'wij godlozen en antimetafysici halen ook ons vuur nog uit de brand die een duizenden jaren oud geloof ontstoken heeft, dat christengeloof, dat ook het geloof van Plato was, namelijk dat God de waarheid is, dat de waarheid goddelijk is...' (V, 344). Voor Nietzsche zijn streven naar kennis, liefde voor de waarheid, en uiteindelijk de moraal met geloof in God verbonden.

Zoals men zich voor kritiek op het christendom op Jezus kan beroepen, kan men ook naar Nietzsche verwijzen voor de stelling dat het verdwijnen van het geloof in God in ieder geval ook waardenverlies met zich meebrengt. De teloorgang van God, respectievelijk van het geloof in het bestaan van God, verarmt leven en wereld. Nietzsche hield het erop dat de uiteindelijke winst het verlies verre te boven zou gaan. Die hoop is mij echter vreemd.

    • A. van den Beld