Ruzies spitsen zich toe naarmate verkiezingen naderen; 'Oorlog' om de Hongaarse media

BOEDAPEST, MAART. “De regering probeert nog vóór de verkiezingen de media te balkaniseren”, zegt een jonge Hongaar tijdens de fakkeloptocht verontwaardigd. “Maar ze zullen het niet winnen, het is een wanhoopsdaad, het zal een terugslag hebben.”

In Hongarije woedt al meer dan een jaar een media-oorlog, die twee weken geleden geculmineerd is in het ontslag van 129 kritische radiojournalisten. Het ontslag was het voorlopige hoogtepunt in een gevecht om de elektronische media, die in de campagne voor de parlementsverkiezingen van mei een belangrijke rol zullen spelen. Anders dan de goeddeels geprivatiseerde en onafhankelijke kranten, die het beleid van de regering-Boross genadeloos bekritiseren, zijn radio en televisie nog steeds in handen van de staat. De impasse in het debat over een nieuwe mediawet, die daaraan een eind moet maken, geeft de regering de mogelijkheid om kritische programma's van radio en tv te verwijderen. “De televisie hier beweegt zich nu heel snel in de richting van Boekarest en Bratislava, al is het nog geen Belgrado”, aldus de media-socioloog András Szekfü.

Eerst werden de liberale directeuren van radio en tv naar huis gestuurd en vervangen door twee regeringsgetrouwe conservatieven. Daarna verdween het kritische televisiejournaal van het scherm. Vervolgens moest het populaire radioprogramma 168 uur wijken. Het recente ontslag van de radiojournalisten leidde opnieuw tot grote commotie. Een protestdemonstratie met fakkels en kaarsen trok zeker tienduizend Hongaren naar het standbeeld van de revolutionaire dichter en nationale held Sándor Petöfi, die in 1848 een drukpers bezette om de revolutie te proclameren.

De politieke tegenstellingen werden fraai gedemonstreerd op Hongarijes nationale feestdag op 15 maart, de herdenking van de revolutie van 1848. Op één vierkante kilometer tekende zich hier het complete politieke spectrum met al zijn vetes en ruzies af. Om elf uur 's ochtends sprak de witgekuifde premier Péter Boross, voorheen directeur van een grote restaurantketen, tijdens een officiële ceremonie bij het Nationaal Museum. Hij werd geflankeerd door een koor dat het Lajos-Kossuthlied van Bartók zong en gesecondeerd door een acteur met een donderend gedicht van Petöfi. Boross, representant van de regeringspartij MDF, sprak langdurig over de plagen die de Hongaren door de geschiedenis heen hebben getroffen. Afkomstig uit de steppen van Kazachstan, zijn we uiteindelijk hier neergestreken. Nu zijn zelfs de Russische troepen vertrokken, zei de premier onder applaus. We moeten onze politieke twisten vergeten en één zijn als volk, zo eindigde Boross. Achter zijn rug hing de dichtregel Élni fog a nemzet, amely öszetart (Een volk dat zich verenigt, zal overleven) van de dichter Arany, die in brons gegoten naast hem zat. Een paar honderd toeschouwers zongen, zwaaiend met vlaggetjes, de Szózat, Hongarijes melancholieke 'tweede' volkslied.

Twee uur later legde burgemeester Gábor Demszky, voormalig dissident en een van de oprichters van de liberale oppositiepartij SzDSz, een krans bij het standbeeld van Petöfi, dat sinds 1972 door dissidenten werd gebruikt voor stil protest tegen persbreidel. In 1988 werd hij op dezelfde plaats nog door de veiligheidspolitie gearresteerd. Demszky verpersoonlijkt in dit rollenspel de oppositie. Ook hij sprak van verzoening, maar hij waarschuwde tegen nieuwe aanslagen op de persvrijheid en kruiste zo op afstand de degens met Boross, die immers net de knuppel in het hoenderhok had gegooid. Vanaf Petöfi trokken de paar duizend aanwezigen vervolgens naar het parlement, aangevoerd door een militaire blaaskapel met de enigszins kolderieke schuin aflopende Oostenrijks-Hongaarse petten op het hoofd. Het schalde door de straten.

Bij het parlement mengde de marsmuziek zich met andere luidruchtige klanken, afkomstig van een aanpalende demonstratie, die door de politie zorgvuldig apart werd gehouden. Een menigte van tienduizend man had zich verzameld voor het hoofdgebouw van de televisie om zich te laven aan de nationalistische toespraak van de extreem-rechtse schrijver István Csurka, die buitengewoon is ingenomen met het ontslag van de radiojournalisten. De door 'on-Hongaarse elementen' geconfisqueerde pers is hem allang een doorn in het oog. Onder het publiek veel oudere mensen en een handvol jonge skinheads met Hongaarse vlag. Voor de derde keer vandaag klonk hier het volkslied, deze keer met donderend symfonisch geweld. Ook hier veel luidkeelse gedichten, een popsong over de Hongaarse driekleur en een rollende toespraak van een antisemitische professor, die veel bijval kreeg. Het Jewish Agency deelde curieus genoeg onder de omstanders informatieformulieren uit over emigratie naar Israel. Csurka zelf, groot, bril, snor, zwart pak, spreekt bedachtzaam en hoedt zich doorgaans voor al te openlijk antisemitisme, maar zijn boodschap is dezelfde als die van alle extreem-rechtse leiders: Hongarije gaat naar de haaien dank zij de joodse lobby en het Amerikaanse groot-kapitaal.

Csurka, een van de oprichters (en ex-vice-voorzitter) van de regeringspartij MDF, heeft vorig jaar na ruzie met wijlen premier József Antall zijn eigen rechtse partij opgericht, de Partij voor Hongaarse Rechtvaardigheid en Leven (MIEP). Hij hoopt bij de parlementsverkiezingen in mei de kiesdrempel te halen. Ferenc Köszeg, hoofdredacteur van Beszélö, heeft Csurka goed gekend. “Zijn vader komt uit het milieu van de 'gentlemen-fascisten' van het oorlogskabinet. Csurka is niet dom. Hij was een bohémien met een sarcastische, ironische stijl. Zijn toneelstukken gaan altijd over gedesillusioneerde intellectuelen die iets groots willen verrichten. Hij heeft behoorlijk goede korte verhalen en toneelstukken over gokverslaving en paardenraces geschreven. Hij is zelf een groot gokker, hield van drank, had altijd affaires. Wat dat betreft heeft hij zijn levensstijl drastisch moeten aanpassen.”

Een groot spreker is Csurka volgens Köszeg niet. Meestal leest hij zijn redes van papier. Een Zjirinovski-achtige verkiezingsoverwinning ziet Köszeg, en met hem vele anderen, echter niet in het verschiet. “De situatie is hier veel evenwichtiger dan in Rusland. Gevaarlijk is wel dat er geen kloof is tussen rechts en extreem-rechts. Niet voor niets is Csurka uit de regeringspartij afkomstig. Er is in Hongarije een breed draagvlak voor rechts.”

Gábor Demszky (42) is sinds 1991 burgemeester van de twee miljoen inwoners van Boedapest. Veel macht heeft hij echter niet. De 22 locoburgemeesters waarover de stad beschikt gaan goeddeels hun eigen gang, aldus Demszky in zijn donkere kamer in het stadhuis. Soms nemen ze niet eens de moeite zijn brieven te beantwoorden. Anderzijds snijdt de regering doorlopend in het budget van de grote steden, volgens Demszky omdat de gemeenteraden goeddeels in handen zijn van de oppositie. Hij houdt zich voornamelijk bezig met de infrastructuur van de stad, wegen, lucht en water en is, zegt hij zelf, de laatste jaren aanzienlijk realistischer geworden dan menig partijgenoot. “Mijn opvattingen over politiek en ons land zijn radicaal veranderd”, aldus Demszky. “Je wordt pragmatischer. Ik zie nu hoe slecht onze partij SzDSz georganiseerd is. Ze hebben me geen enkele steun gegeven bij mijn aantreden. Ik heb hier nu een heel goede staf. Mijn klerken kunnen werken.”

Het eerste jaar was zwaar voor de burgemeester, want zijn communistische voorgangers hadden een soort verbrande-aarde-tactiek toegepast. “Ze wisten dat ze de verkiezingen zouden verliezen en dus hebben ze geen toekomstplannen ontwikkeld. Ik heb alles opnieuw moeten opzetten.” Demszky's voornaamste adviseur is een professionele clown, die hem leert hoe hij het publiek moet aanvoelen.

“Mijn toespraak bij het standbeeld van Petöfi was erg politiek en fel gericht tegen de censuur”, zegt Demszky. “De televisie heeft de kranslegging dit jaar voor het eerst niet live uitgezonden. De regering is verantwoordelijk voor de persvrijheid en had dus ook moeten optreden tegen het ontslag van de radiojournalisten. Wij hebben geprobeerd in Boedapest een lokale tv-zender op te richten, maar we wachten al acht maanden op antwoord op onze aanvraag. Er is veel politieke spanning in de lucht wegens de verkiezingen. Die politieke strijd tussen links en rechts speelt zelfs door de cultuur heen, tot en met de orkesten toe, want heel Hongarije is verdeeld tussen de populisten en de kosmopolieten.”