Over politie-operaties valt veel uit te leggen

Het gebod 'Gij zult niet inbreken' uit het wetboek van strafrecht geldt voor de politie net zo goed als voor de burger. Frank Kuitenbrouwer vindt dat het openbaar ministerie de geloofwaardigheid van de politie ondermijnt door 'inkijkoperaties' in privé-woningen van verdachten toe te staan.

Er was eens een rechercheur die zich verborg onder het echtelijk bed van een verdachte in de hoop dat deze althans tegen zijn vrouw zou bekennen. Dit is een van de klassieke gevallen die bijna zeventig jaar geleden in de eerste jaargang van het Juristenblad werden opgetekend in een “crimineel-ethische enquête”. Ook toen al waren opsporingsmethoden geen rustig bezit. Het recht was er gauw klaar mee: dit kòn natuurlijk niet. Het gebod “Gij zult niet inbreken” (artikel 311 Wetboek van strafrecht) geldt voor de politie net zo goed als voor de burger.

Wat dit betreft hoeven er weinig woorden vuil te worden gemaakt aan berichten dat Nederlandse politiemensen tegenwoordig met medeweten van het openbaar ministerie zogeheten “inkijkoperaties” uitvoeren: inbraak in woningen, loodsen en bedrijven van verdachten om te zien of een officiële huiszoeking nuttig is. De doelstelling maakt de methode zelfs dubbel illegaal. Inbraak is toch al verboden. En voor huiszoeking schrijft het Wetboek van strafvordering dwingend een speciale procedure voor die er juist op is gericht ongeregelde inkijkjes door opsporingsambtenaren uit te sluiten.

Is er echter niet zoiets als een politienoodrecht? Deze vraag is eerder al aan de orde gekomen in verband met de inzet van undercover-agenten. Om geloofwaardig te zijn in criminele milieu's moeten zij vaak meedoen aan het plegen van drugsdelicten. Is dat niet een vorm van overmacht? Geheel valt dit natuurlijk niet uit te sluiten, maar dan moet toch vooral worden gedacht aan situaties waarin levens op het spel staan. In zijn proefschrift over infiltratie in het strafrecht uit 1990 verwierp mr. P.M. Frielink - thans officier van justitie in Den Bosch - echter de vergelijking met een brandweerman die de toegangsdeur van een farmaceutische fabriek inslaat om bij een levensgevaarlijke brandhaard te komen. Dit is overduidelijk een uitzonderingssituatie en infiltratie is dat allang niet meer. Er is bovendien een keuze: de politie kan ook afzien van undercoveroperaties, zoals het lid van de Hoge Raad mr. N. Keijzer in een vakpublikatie heeft opgemerkt.

De hele methode van infiltratie berust trouwens al niet op de wet, maar op een arrest van de Hoge Raad. Deze stelde echter de eis dat de infiltrant zijn doelwit niet in verleiding brengt om een strafbaar feit te begaan als hij daar toch al niet op uit was. De actie in het afgelopen weekeind waarin Franse en Belgische agenten drugsrunners bij Rotterdam in een politieval leidden, past in dit stramien. De “lokbeambte” die na sluitingstijd in een café een pilsje bestelt vormt het klassieke precedent.

Regelrechte inbraken vormen een geheel ander chapiter. Niet het minste probleem met de bewilliging van het openbaar ministerie - dat nu net wordt geacht juridisch toezicht te houden op de opsporing - is dat het daarmee de geloofwaardigheid van de politie ondermijnt. Het ambtsedig procesverbaal van een politieman heeft voor de rechter de bewijskracht van twee gewone getuigen. Maar hoe kan de rechter nog daarop vertrouwen wanneer de politie niet opziet tegen illegale inbraken? Er bestaat toch al een groeiende twijfel aan de waarde van het ambtsedig procesverbaal.

Jaren geleden vertelde een rechter-commissaris in kleine kring over het ogenschijnlijk keiharde proces-verbaal van maar liefst drie rechercheurs, dat een verdachte bij aanhouding in een kelder een pakje drugs had weggegooid. Hij riep de politiemensen afzonderlijk binnen en vroeg: hebt u zelf gezien dat de verdachten het pakje weggooide? Rechercheur A zei dat hij dat had gehoord van collega B, maar die had het juist van C vernomen en deze verwees weer na A. Nee dus, en daar ging de driedubbele ambtseed.

In 1991 verklaarde de voormalige directeur van een politie-opleidingschool in het blad Proces dat opsporingsambtenaren soms opzettelijk “onware gegevens in een procesverbaal opnemen”. Minister Hirsch Ballin van justitie deed dit in antwoord op Kamervragen af als te algemeen gesteld om een onderzoek te rechtvaardigen, al wilde hij een en ander wel nog eens onder de aandacht brengen van de politieleiding. Begin dit jaar meldden drie rechters van onderzoek echter in deze krant: “We moeten af van het feit dat het politiecorps per definitie betrouwbaar is. Je stuit regelmatig op situaties waarvan je denkt: hier klopt iets niet.” En dit gaat nog alleen over wat de rechter onder ogen krijgt - een inkijkoperatie valt daar per definitie buiten.

Intussen gaat Hirsch Ballin unverfrohren door met het uitbreiden van de politiebevoegdheden. Onlangs verdedigde hij het gebruik van afluisterapparatuur door de politie, al moet onder de nieuwe wet een heel hotel vol gasten op de koop toenemen dat zij in de beslotenheid van hun kamer kunnen worden beluisterd omdat de politie nu eenmaal niet precies kan uitmaken waar de gezochte verdachte van zware criminaliteit zich bevindt. Eerder bleek al dat de politie een jaar lang talloze auto-telefoons van onschuldige burgers afluisterde tijdens een onderzoek naar een hasj-syndicaat. Dat opnamen die daarmee niet te maken hebben meteen worden weggegooid, is allesbehalve vanzelfsprekend want zij kunnen worden doorgespeeld aan geheime inlichtingendiensten en daar eindeloos worden bewaard.

“Wij willen geen geheime politie”, verklaarde de nieuwe minister Van Thijn (Binnenlandse Zaken) begin dit jaar gloedvol in de Tweede Kamer. Zijn departement en dat van Justitie zien daar volgens hem “met argusogen” op toe. Dat zei hij vóór de Commissie-Wieringa rapporteerde over het Interregionaal rechercheteam Noord-Holland/Utrecht. Dit rapport laat zien wat voor een beerput er opengaat wanneer men even goed doorvraagt over speciale politie-operaties.

Het kabinet heeft nog heel wat uit te leggen. En de Tweede Kamer heeft heel wat om over door te vragen.