'Moslims zijn niet verdreven, ze zijn vrijwillig vertrokken'

MOSTAR, 29 MAART. Het is rustig en landelijk bij de grens. Soldaten op keukenstoelen bij een rokend vuurtje. Ze houden hun kalasjnikovs in hun armen alsof ze een baby wiegen. Een caravan, model jaren vijftig, en wat in elkaar geknutselde wegblokkades - meer stelt de grensovergang tussen Kroatië en de eenzijdig door de Bosnische Kroaten uitgeroepen republiek Herceg-Bosna niet voor. Vannacht om 12 uur moet de nieuwe grondwet voor de federatie Bosnië-Herzegovina in werking treden, en daarmee zal, althans op papier, deze etnische ministaat automatisch verdwijnen.

“We zullen vredig samenleven in één federale staat, waarin alle burgers gelijke rechten hebben.” “We zullen de federatie samen besturen.” En: “Alle vluchtelingen mogen terugkeren naar hun huizen.” Dat zijn de grondprincipes van het akkoord tussen de Bosnische Kroaten en de moslims en daarmee van de nieuwe federatie.

Hier, op de bergweg naar Mostar, lijkt de oorlog al ver en voorbij. Een boer zaait zijn akker. Een meisje zit breiend op een hoop stenen, die bij nader inzien de resten zijn van een uitgebrand huis. Zo went het oog langzaam aan de dubbele bodems van de oorlog. In Vitina staan de verzakte resten van een moskee die door de Kroaten is opgeblazen, leegstaande huizen met gapende gaten, de deuren klapperen in de wind.

Anderhalf miljoen mensen in Bosnië zijn tijdens de oorlog uit hun huizen gevlucht of verdreven. De vraag wat er met hen gaat gebeuren zal de werkelijke toetssteen zijn voor de levensvatbaarheid van het nieuwe Bosnië-Herzegovina.

“Federation fuck”, zegt de man en maakt een bijpassend gebaar. In het groene bergdorp Siroki Brijeg stremmen Mercedessen en Porsches en zelfs een Cadillac tussen de Fiatjes de hoofdweg als was het een Siciliaanse boulevard. Op een terras zit een groep mannen aan het bier. Ze hebben lompe, harde gezichten en dragen pistolen en onvolledige uniformen. Wijdbeens zitten ze op hun stoelen. “Dit land is van ons en van niemand anders. Wij vergeven de moslims nooit”, zegt de smalste van het stel. Hij praat mechanisch, bijna achteloos. Alsof hij ergens een plaat afdraait. “We hebben hier etnisch zuiver gebied gemaakt en zo blijft het. Die mensen horen hier niet thuis.” Maar hoe komt er dan ooit een eind aan de oorlog, vragen we hem. “De oorlog is goed”, zegt hij zonder aarzeling. “A lot of money and marihuana”, brult zijn buurman. De mannen slaan op hun dijen van plezier.

Achter Siroki Brijeg - kronkelende bergwegen, verlaten wijngaarden - ligt opeens in het dal aan weerszijden van de Neretva de stad Mostar. “Slanke minaretten, wedijverend met de groene cypressen”, juicht de oude reisgids. Die minaretten zijn inmiddels allemaal verwoest. Ook de wereldberoemde oude brug van Mostar, de Stari Most, “het wonder van Oosterse bouwkunst en harmonie dat met één koene boog de smaragdgroene Neretva overspant”, is weg. Vier maanden geleden stortte de brug bij een Kroatische beschieting in. Met name voor veel moslims - door de etnische zuivering van de Kroaten zijn meer dan 55.000 mensen nog steeds samengedreven en ingesloten in het oostelijk stadsdeel - betekenen de verwoestingen een zware psychologische schok: met de Stari Most werd het symbool verwoest van een open stadscultuur waarin de verschillende bevolkingsgroepen al eeuwenlang samenleefden.

In het westelijke, Kroatische deel van de stad, achter de laatste militaire blokkade - formeel is er een bestand, maar nog steeds geldt hier maar één regel: die van de militaire willekeur - is het alsof letterlijk alles is doorboord: de huizen, de straten, de bomen. Nette rijen gepokte wrakken staan langs de straat geparkeerd - de Zwitsers zouden hun autokerkhof niet beter kunnen organiseren. Op straat heerst een vreemde mengeling van oorlog en leven. Vrouwen sjouwen met emmers water, voortdurend draaiend met hun hoofd. Hun mannen keuvelen op terrasjes die hier en daar zijn ingericht.

“Nog moeten we van de moslims gescheiden blijven”, zegt Branislav Kacic. “Maar ik garandeer u, op den duur wordt Mostar weer één stad.” Hij betuigt zijn vertrouwen in de federatie in het Frans, Duits, Italiaans en Engels. De voormalige toeristengids kan zijn genot niet op om na bijna vier jaar isolement weer eens iets ten beste te geven. “De mensen van Mostar hebben het punt bereikt waarop ze het akkoord accepteren. Het is echt heel serieus. Ik ben bereid mijn buren te accepteren, op voorwaarde dat ik weet wat van mij is en wat van hen. Wat moslim is en wat Kroatisch moet voortaan duidelijk gescheiden.”

Met wie men ook praat in het Kroatische deel: elke keer klinkt er weer die dubbele tong. De woorden prijzen de federatie, maar steeds alsof het hart toch ergens anders is. Zo had ook Mile Akmadzic gepraat, premier van Bosnië tot hij vorig jaar 'overliep' naar de Kroaten en 'minister van buitenlandse zaken' van Herceg-Bosna werd. “We gaan terug naar de vrede, terug naar een mogelijke staat”, had hij maandag gezegd voordat hij naar Sarajevo vertrok voor het debat in het Bosnische parlement waarvan hij formeel altijd lid is gebleven. Betekent het akkoord ook dat al die duizenden moslims die van West- naar Oost-Mostar zijn verdreven binnenkort terugkomen, hadden we hem gevraagd. Dat is immers afgesproken, met de moslims, het staat in de grondwet. Maar Akmadzic zag dat heel anders: “Er is geen enkele moslim uit West-Mostar naar Oost-Mostar verdreven. Hooguit zijn er een paar uit vrije wil weggegaan.”

Een functionaris van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR noemt in zijn kantoortje in Medjugorje, buiten Mostar, die bewering “absoluut, maar dan ook absoluut onjuist”. “Wij schatten dat er tienduizend moslims naar Oost-Mostar zijn verdreven.” Zelfs deze maand nog, na het ingaan van het bestand, zijn er moslim-gezinnen verdreven en zijn hun huizen door Bosnisch-Kroatische soldaten geplunderd. “Het is in het westen van de stad [voor moslims] nog absoluut niet veilig”, stelt de official. Hij kijkt uit het raam naar Medjugorje, het dorp waarheen een groot deel van het leven in West-Mostar zich verplaatst heeft. Het is een vervreemdend effect. Hier floreert een uitgebreide Maria-industrie op nog geen dertien kilometer van de oorlog. Bussen met Tsjechen, Duitsers, Italianen en Slovenen rijden elke dag af en aan, want hier, op deze berg, zou in 1981 de Heilige Maagd zijn verschenen. De ambulances van het Rode Kruis en de jeeps van de Verenigde Naties rijden tussen de souvenirwinkels waar nonnen en pelgrims ongestoord hun bidplaatjes en Heilige-Maagd-T-shirts kiezen.

Ook vandaag is het weer druk. Met palmtakken en rozenkransen schuifelen honderden mensen het heiligdom binnen. Uit de luidsprekers knettert het Ave Maria. Zo kunnen ook de gelovigen meegenieten die buiten in lange rijen voor de twintig biechthokjes staan te wachten. “Iets met mijn vriend...”, bloost Zlata uit Mostar als ik haar vraag wat ze komt biechten. Elke zondag komt ze hier in Medjugorje bidden. Gaat ze nu ook voor de federatie bidden? Zlata haalt haar schouders op. “We zijn moe van de oorlog, moe van de doden.” Gaat de federatie werken? “Waarom dringt de wereld ons op om samen te leven”, vraagt ze. “Waarom niet gewoon iedereen bij zijn eigen soort?” Heilige Maria breng ons vrede, klinkt het uit de luidsprekers.

    • Marjon van Royen