Het worgen van Thom de Groot

GOATTUM. “Tjongejonge, het is niet best. Wat hebben wij een slecht weekend gehad”, zegt Thom de Groot. We zitten aan de keukentafel in de eeuwenoude boerderij van de familie, midden in het weidse Friese land achter Grouw. “Het was net een tribunaal bij het Landbouwschap. De heren hadden precies een half uur tijd voor ons, daarna gingen ze dineren. Een collega hoorde ze nog lachen achter de deur, waarschijnlijk om ons, stomme boertjes.” Terwijl de heren aten reed Thom terug naar zijn uitpuilende stallen vol jongvee, zijn mestbult, zijn snel slinkende hooivoorraad, zijn kippen, katten, schapen en lammeren die overal tussendoor lopen, zijn vijftien-urige werkdag, zijn slapeloze nachten, zijn principes en zijn boerderij, zo vol als de ark van Noach.

Thom de Groot is een van de laatste boeren die om principiële redenen weigeren zijn koeien en schapen te voorzien van de bekende felgele plastic oorflappen. Zijn 'Actiegroep Gewetensbezwaarden Oormerken' telde aanvankelijk meer dan tweeduizend aanhangers, maar nu zijn het er niet meer dan tweehonderdvijftig. Bijna alle Nederlandse boeren hebben de afgelopen twee jaar moeten capituleren voor dit registratiesysteem. De sanctie is eenvoudig, maar buitengewoon doeltreffend: geen koe zonder oormerk komt op de markt. Er sleept nog steeds een proefproces, een Kamermeerderheid heeft ingestemd met een aparte regeling voor gewetensbezwaarden, maar het Landbouwschap blijft onverbiddellijk aan de EG-richtlijnen vasthouden. “Die kamerleden moeten hun huiswerk overdoen”, hadden ze bij het Landbouwschap gezegd, en honend was het compromisvoorstel - fotograferen en schetsen, en pas een oormerk als de koe verhandeld wordt - van tafel geveegd. “Het is een staat in een staat”, zegt De Groot

Ondertussen voelt hij zelf aan den lijve wat de macht van de landbouwbureaucratie inhoudt. Langzaam maar zeker wordt zijn bedrijf gewurgd. De kalveren, al twee jaar lang onverkoopbaar, zijn intussen volwassen geworden. Zijn bedrijf, geschikt voor ongeveer vijfentwintig koeien, is uitgegroeid tot het dubbele. Officieel mag hij vee zonder oormerk alleen rechtstreeks afvoeren naar het slachthuis, maar de kosten van zo'n speciaal transport plus keuring zijn bijna net zo hoog als de opbrengst van de koe. Bovendien heeft hij melkvee, geen vleeskoeien. Alles waar het bij een boerenbedrijf om draait wordt bij Thom de Groot langzaam gesmoord: stalruimte, land, mest, melkquotum, voer, arbeid, kapitaal, zelfs zijn erkenning als biologisch boer loopt gevaar. De Groot: “Ik moest pas nog voor tweeduizend gulden aan hooi bijkopen, anders halen we het voorjaar niet.” Een van zijn koeien moest naar de noodslachting. Maar het beest mocht niet van het erf af. Hij rekent me de verliezen voor, vijftien- twintigduizend gulden, afgezien nog van al het vergeefse werk. Hij zegt: “Je strijdt tegen een macht waar je geen grip op hebt.”

Het 'blikken', zoals de boeren het oormerken hier noemen, dient officieel om binnen de Europese Gemeenschap meteen te kunnen zien uit welk land en uit welk bedrijf een dier afkomstig is. Bij een besmettelijke ziekte kan zo direct worden ingegrepen. Maar het is zo langzamerhand veel meer dan dat. Het oormerk is het symbool geworden van de alomvattende macht van de administratie over de cultuur van de boeren. Ik heb een boer wel eens een paar kalveren zien blikken: eerst worden ze verdoofd door de veearts, dan worden met een soort electrische pook, onder veel rook, de horens eruit 'gepit' - dat is tegen het onderlinge vechten in de moderne ligboxstallen - dan worden met een tang gaatjes in de oren geprikt, en daar gaan de felgele merken door, bijna groter dan het kalveroor zelf. Dat is de nette methode. Maar het kan ook zonder verdoving, en dan brullen ze van pijn.

Iedere koe had altijd al een soort kentekenbewijs, met daarop de naam, de afkomst en een schets van het dier en eventueel een Polaroid foto. Fokkers gaven hun koeien meestal ook al een klein blikmerk - hoewel ze tegenwoordig allerlei elektronische methodes prefereren, met chips, en hals- en enkelbanden, simpel en onopvallend. Het hoeft dus helemaal niet zo lelijk. Het is dan ook vooral de dwang en de domme kracht van de maatregel, die zowat alle boeren in de gordijnen jaagt. Timmerlieden, advocaten, veefokkers, ieder ambacht heeft zijn eigen normen en zijn eigen esthetiek. De boerencultuur is echter niet meer in staat om de eigen beroepscodes met succes tegen de aanvallen van de bureaucratie te verdedigen, en dat tekent haar ondergang.

Volgens een enquête die het landbouwweekblad De Boerderij vorige week publiceerde vinden bijna alle Nederlandse boeren (97 procent) dat de ambtenaren op het ministerie van landbouw veel te weinig van de praktijk afweten en regels uitvaardigen die nauwelijks uitvoerbaar zijn. En volgens de overgrote meerderheid (86 procent) is dat ook het geval bij het Landbouwschap en de top van de boerenorganisaties. Het oormerk symboliseert die afstand. Aan de keukentafel van de familie De Groot, op de markt en in de stallen van andere boeren hoor ik reeksen verhalen. Over de fraudegevoeligheid van het huidige oormerk: “Op de veemarkt in Leeuwarden worden ze los verkocht.” Over de kinderziektes: “Soms bleven de oormerken haken als een koe zijn kop door een hek van een ligboxstal stak. Bloedbaden waren dat.” Over de bijna onmogelijke taak om een oudere stier te oormerken: “Ik zei tegen die ambtenaar, Daar loopt-ie. Doe het zelf, als je durft.”

“Het conservatisme van boeren draait niet om het behoud van macht, maar om het behoud van waarden”, noteerde ooit de Engelse essayist John Berger. Het is volgens hem een soort conservatisme dat staat voor een schatkamer vol waarden, overgeleverd uit generaties van boerenlevens, altijd bedreigd door veranderingen, maar altijd voortgedreven door de diepste waarde van de boerencultuur: de wil tot overleven. Als Thom de Groot praat over zijn gewetensbezwaren, heeft hij het over “iets van binnenuit”. “Wij hanteren bepaalde normen in ons leven en werk. Ook een dier moet je in zijn waarde laten. Maar nu worden we in een hoek gezet, en we kunnen geen kant meer op.”

Hij weet dat het einde nadert. Door alle drukte wisten een paar stiertjes het afgelopen najaar uit te breken en enkele hokkelingen - kalveren bijna nog - te verkrachten. Een van de slachtoffers heeft vorige week gekalfd, veel te jong nog. Het kalfje ligt op wat stro, midden in het looppad van de stal nauwelijks groter dan een hond. “Het is geen blijvertje, denk ik”, zegt De Groot. De kippen scharrelen eromheen, het kalf trekt stuipend met de poten, geeft kleine, blaffende geluidjes. “Ik weet niet wat ik heb”, zegt hij. “Je krijgt zo'n haat ineens. En dat gevoel heb ik nog nooit gehad.”

    • Geert Mak