Het vege lijf 11

Hoe lang Annie al doodstil in haar bed lag wist geen van haar zaalgenoten in het verpleeghuis. Ze bracht geen enkel geluid voort en het enige dat ze kon bewegen waren haar ogen. Verpleegsters informeerden tijdens het wassen en verschonen of Annie het prettig vond en meenden uit de bewegingen van haar ogen een antwoord te kunnen distilleren. Familieleden kwamen dagelijks trouw op bezoek, gingen naast het bed zitten en keken naar Annie's ogen. Sinds Annie zo lag waren ze dag in dag uit verwikkeld in een onafgebroken poging om in Annie's ogen haar gedachten te lezen.

Na jaren overleed Annie en op de zaal was zij snel vergeten nadat moeizaam was beslist wie in haar plaats het bed voor het raam mocht hebben. Wie in een verpleeghuis overlijdt wordt opgevolgd door iemand die ook zal sterven. De herinnering aan al die doden kan moeilijk levend worden gehouden.

Van Santen, al jong in het verpleeghuis opgenomen, zag het gemurmel van de afgetakelde ouderdom over het hoofd. “Ha! Van Santen!!!” riep hij vrolijk tegen iedere vreemde die de huiskamer binnenkwam. Dommelende bejaarden schrokken op. De bezoeker raakte meestal in verwarring omdat hij geen Van Santen heette. Maar Van Santen herhaalde zijn kreet “Ha! Van Santen!!!” net zo vaak, tot de bezoeker begreep dat het de bedoeling was dat hijzelf die uitroep herhaalde als begroeting van Van Santen. Vanaf dat ogenblik riep Van Santen als hij de bezoeker zag :“Ha! Van Santen!!!”, en de bezoeker reageerde op dat verzoek met een even luid “Ha! Van Santen!!!”. Van Santen lachte tevreden over de begroeting die hij had uitgelokt.

Clara hoorde dat vanuit haar invalidewagentje met een begripvolle glimlach aan. Ze zat niet als de meeste bejaarden onderuitgezakt, maar fier rechtop. Ze zag er opvallend verzorgd uit, alsof ze nog thuis was en ieder ogenblik gasten moest kunnen ontvangen. Door zich met aandacht op te maken, altijd sieraden te dragen en zorgvuldig haar kleding te kiezen, toonde ze ook aan het einde van haar leven haar waardigheid te willen behouden. Ze sprak op zo'n begripvolle toon tegen dementerende bejaarden, dat het leek alsof ze slechts in het verpleeghuis was om anderen op te beuren.

Pas als haar rolstoel bij de tafel werd weggereden was te zien dat zij onder haar sierlijk neerhangende rok geen benen meer had. Alleen haar dochter, die haar dagelijks bezocht, en de verpleging wisten dat zij voortdurend pijn leed. Op een dag verscheen zij niet meer in de huiskamer en kort daarop kwam het bericht dat zij was overleden. Slechts even werd haar waardigheid gemist, daarna was zij vergeten.

Sterven gebeurde meestal in een apart kamertje, waar ook enkele stoelen voor familieleden waren. Soms stond de deur open en was ook voor bezoekers te zien hoe iemand op de rug liggend, de neus omhoog gestoken, de mond open, hijgend het einde tegemoet ging. In een verpleeghuis is de dood zo dichtbij, dat niemand toonde zich hierdoor geschokt te voelen. Henriëtte was als patiënte zo afgestompt door de nabijheid van de dood dat zij hardgrondig kon mopperen om de tijd die het sterven sommigen kostte. Zij zat graag alleen in het sterfkamertje als dat niet bezet was.

Gerard was in deze omgeving een opvallende verschijning. Hij leek zich in een Engels landhuis te wanen met zijn elegante geruite jasje, het zijden sjaaltje om zijn hals en het dunne sigaartje waaraan hij nadenkend trok. Hij was een van de weinige bewoners die een eigen kamer had. Slechts zijn blindheid deed vermoeden dat er een reden was waarom hij als veertiger in dit eindstation was beland. Hij trachtte hardnekkig Henriëtte zover te krijgen dat zij in haar invalidenwagentje een jonge borrel kwam drinken, maar zij wees zijn avances consequent af met het argument dat zij slechts van oude jenever hield. Op een dag kwam Gerard zijn kamer niet meer uit en spoedig daarna was hij overleden. Daar werd nog enige tijd over gesproken, omdat bekend raakte dat hij een aids-patiënt was. Dat was toen nog ongebruikelijk. Maar Gerard werd als bijzondere verpleegde ook vergeten toen het nieuwe van stervende aids-patiënten voorbij was.

    • Ben van der Velden