Het beest

Ik heb eens gezegd dat een beest het beste in mij wakker maakt. Ik heb eens geschreven dat je bepaalde wreedheden beestachtig had kunnen noemen als ze niet zo typisch menselijk waren geweest.

Zwakke pogingen om het beest een betere naam te bezorgen - zwak in verhouding tot het gangbare taalgebruik, want dat is zondermeer verpletterend.

Als iemand beestjes heeft zijn het luizen. Als iemand de beest uithangt, of als een beest tekeergaat en er bovendien als een beest uitziet, is het een beest van een vent en daar wordt niks goeds mee bedoeld. Om nog maar te zwijgen over het beest in de Openbaringen van Johannes, het beest van het getal zeshonderd zes en zestig - tot ver na de oorlog waren er mensen die dachten dat dit getal op Hitler sloeg.

Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over en ik geloof ook niet dat het erg is, ik geloof niet dat zulke uitdrukkingen op zichzelf aanleiding geven tot een slechte bejegening van beesten, ik bedoel: dieren. Maar bij mijzelf stuit ik altijd op een zekere aarzeling en ik weet, als ik erover nadenk, best waar hem dat in zit: in de kinderlijke, Betuwse lobben van mijn hersenen.

Als ze op Herwijnen zeiden dat deze of gene veertig beesten had, dan waren het veertig koeien.

Een beest was een koe en in een koe stak absoluut geen kwaad.