Gedicht in 10 seconden

Poëziekrant, 18de jrg.nr.1. 52 blz. ƒ 12. Hoornstraat 11, B-9000 Gent

In de lift, ook in Nederland, en terecht, zit de achttienjarige Poëziekrant van Willy Tibergiens Poëziecentrum in Gent. In de vorm van recensies, interviews en artikelen treffen we in het nieuwste nummer dichters als Gerrit Komrij, Majakovski, Neruda, Gertrude Starink, Peter Ghyssaert, Lucas Hüsgen, Karel Jonckheere en Armand van Assche. Komrij siert het omslag en opent het nummer in een vraagggesprek met John Vervoort, ter gelegenheid van het verschijnen, in kwaadmakend beperkte oplage, van zijn binnen een week uitverkochte Alle gedichten sinds gisteren (ƒ 35). Een goedmakertje voor het feit dat Komrij in 1993 de PC Hooftprijs voor zijn essays kreeg, en dus niet voor zijn gedichten. “Ik denk dat de poëzie binnenkort wordt opgeheven.” Komrij is precies zo narrig in het vraaggesprek als verwacht mag worden. “Overigens staat de essentie van alles wat ik te zeggen heb, in mijn gedichten. Alle andere dingen die ik schrijf, zijn daarvan afgeleid.” Komrij is een snelle dichter. “Er zijn er waar al snel een grondversie van ontstaat, maar waar je aan blijft schaven en waar je dan drie kwartier mee bezig bent. Wat een eeuwigheid is voor een gedicht. Het hoort er eigenlijk in tien seconden te staan.” De schrijver gelooft niet in inspiratie ('bestaat niet, zoals God niet bestaat. [-] Ooit zal iemand een biochemische of genetische verklaring vinden voor wat er onder onze hersenpan gaande is') en toont zich een tevreden bloemlezer: “Ik kan tevreden sterven, al ben ik dat nog niet van plan.” Op stapel staan De Nederlandse poëzie van de 15de en 16de eeuw en een herziene versie van de roemruchte blauwe bloemlezing.