EUGENE IONESCO 1912 - 1994; Absurdismen over leven en dood

De gistermiddag op 81-jarige leeftijd overleden toneelschrijver Eugène Ionesco hield van aforismen. Onveranderlijk gaan ze over leven en dood. “Men wordt geboren om te sterven, men sterft om te zijn” of: “Twee dingen zijn onacceptabel: geboren te worden en vervolgens te sterven” of: “Angst is onze meest fundamentele eigenschap en dat komt doordat het leven niet gemaakt is voor de mens die immers, van zijn geboorte tot aan zijn dood, heen en weer geslingerd wordt tussen enerzijds de angst om te leven en anderzijds de angst te sterven”.

Voor de schrijver zelf zijn beide angsten nu voorbij, maar in het oeuvre dat hij nalaat zijn ze onsterfelijk geworden. Alles wat Ionesco ondernam - op latere leeftijd begon hij te schilderen omdat woorden volgens hem tekort schoten - had met dood, leven en de zinloosheid van beide verschijnselen te maken. Tegenover religie, het geijkte antwoord op existentiële vragen, stond hij ambivalent; enerzijds had hij graag in een god willen geloven, anderzijds vond hij de religieuze antwoorden te pasklaar en “hun waarheid te gemakkelijk”. Om momenten van “werkelijk geluk” te beleven, diende men zich volgens hem geen vragen te stellen. “Een toestand van argeloosheid” leek hem de ideale.

Eugène Ionesco (oorspronkelijk: Eugen Ionescu) werd geboren op 26 november 1912, in Slatina, Roemenië. Zijn vader was Roemeen, zijn moeder Française. Kort na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Parijs. Toen het terugkeerde naar Roemenië - Ionesco was toen 13 - moest hij de taal leren, want hij sprak alleen maar Frans. Hij studeerde Franse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Boekarest en werd leraar en literair criticus. In 1936 trouwde hij met de filosofe Rodica Burileanu en twee jaar later vestigde het echtpaar zich difinitief in Parijs.

Zijn besluit Engels te gaan leren lag ten grondslag aan zijn debuut in het theater, het aanvankelijk op voornamelijk hoon onthaalde La Cantatrice chauve (1950). De dialoog was ingegeven door de bizarre gesprekken van het echtpaar in zijn Engelse lesboek. Het stuk, dat in première ging in het Thâtre des Noctambules, was een flop, maar de surrealisten André Breton en Raymond Queneau zagen er direct de kwaliteit van, evenals de filmer Louis Malle.

Enige logica ontbreekt in La Cantatrice: het echtpaar Martin gaat op bezoek bij het echtpaar Smith, dat is nog het meest samenhangende gegeven. In afwachting van de gastheer en zijn vrouw, stellen de Martins vast dat ze elkaar bekend voorkomen. Het raadsel - ze blijken in hetzelfde huis te wonen, dezelfde slaapkamer te hebben en in hetzelfde bed met dezelfde groene deken te slapen - wordt langzaam opgelost.

Het 'anti-theater'van La Cantatrice chauve, dat Ionesco verwant maakte met schrijvers als Samuel Beckett en Arthur Adamov en later het 'theater van het absurde' genoemd werd, begon pas publiek te trekken in 1957. Sinds dat jaar is het stuk, samen met de eenakter La Leçon (1951), onafgebroken te zien geweest in het 'vestzaktheater' La Huchette in Parijs. Ionesco zei niet van politieke kunst te houden - “Niet de samenleving is deerniswekkend, maar de mens” - maar het stuk dat hem internationale erkenning bracht, Rhinocéros (1960), schreef hij op basis van zijn ervaringen in de jaren dertig met het opkomend fascisme in Roemenië. De bevolking van een klein stadje valt ten prooi aan een epidemie, die hen in neushoorns doet veranderen. De metamorfose staat voor de neiging van de mens zich aan iedere ideologie aan te passen. In het stuk biedt slechts één man, Bérenger, weerstand.

Ionesco noemde zijn eigen werk geslaagd, omdat hij “het onzegbare verwoordt”. Tegelijkertijd stelde hij: “Alles wat ik te zeggen heb, is dat ik niets te zeggen heb”. Hij keek terug op foto's uit zijn jeugd en zag “grote ogen, stomverbaasd om het bestaan. Ik ben niet veranderd (-) ik weet nog altijd niet wat mij overkomen is”. Door de ambivalentie van Ionesco - een lucide, “zinloos” oeuvre enerzijds en zijn voortdurend geuite onmacht anderzijds, overheerst - anders dan bij voorbeeld in het geval van Beckett - uiteindelijk vooral het beeld van een zeer ongelukkig mens. “Ik lijd aan het leven” zei hij - en hij voegde eraan toe “meer dan van wat ook” van dat leed te houden. Zijn angst voor de dood was toch groter dan die voor het leven.

    • Pieter Kottman