Een staaltje steun; nationale overheidssteun aan de staalindustrie 1975-1992

Grafiek: In december van het vorig jaar stond de Europese Commissie Italië, Spanje en Duitsland toe nog eenmaal steun te verlenen aan hun staalindustrie in ruil voor een vermindering van de produktiecapaciteit.

In het verleden heeft de Italiaanse overheid verreweg de meeste steun aan haar staalindustrie gegeven: tussen 1975 en 1992 konden de Italiaanse staalbedrijven rekenen op bijna 41 miljard gulden.

Vrees voor grote lokale werkloosheid en het veilig stellen van strategische belangen zijn voor nationale overheden de belangrijkste redenen geweest om staalbedrijven in nood een helpende hand toe te steken. En staatssteun in het ene land lokt staatssteun in het andere uit. De Nederlandse steunoperatie van begin jaren tachtig, die bestond uit investeringssubsidies en vooral een lening aan Hoogovens, was bedoeld als gedeeltelijke compensatie voor de schadelijke gevolgen van overheidsbijdragen in andere Europese landen.

De enorme steungelden hebben de overcapaciteit in de hand gewerkt en daardoor ook de prijsdalingen. Dumpingen van staal uit Oost-Europa en het wegvallen van de afzet in de voormalige Sovjet-Unie vergroten het overaanbod, dat toch al aanzienlijk is doordat de auto-industrie en witgoedfabrikanten in de huidige recessie met minder vraag worden geconfronteerd.

Al in 1986 had de Europese ministerraad een steuncode uitgevaardigd die bijna alle staatssteun verbood. Maar hierop is een aantal uitzonderingen gemaakt. Italië, Frankrijk en Duitsland gaven na 1986 nog bijdragen aan hun staalindustrie. De steun waartoe in december jl. werd besloten in het kader van de sanering van de Europese staalsector zou de definitieve afsluiting van het steun-tijdperk moeten zijn.

    • Kim Wannet