Verkwanselde privé- moralen in James IV

Voorstelling: James IV van Robert Greene. Vertaling en regie: Koos Terpstra; decor: Manda Bakker; spel: Jasper de Moor, Ruben Lürsen, Oda Spelbos, Arjan Kindermans, e.a. Gezien: 25/3 Frascati Amsterdam. Aldaar t/m 9/4, daarna tournee t/m 14/5.

Op de speelvloer staat een man in een lange zilveren jas. Hij haat de wereld, zegt hij, want zij wordt geregeerd door mensen die hun macht misbruiken. Macht is corrupt en om dat te illustereren laat hij het verhaal zien van de Schotse koning James IV: een geile machtswellusteling die omwille van een liefje zijn kroon en koninkrijk op het spel zet en een oorlog met Engeland ontketent.

James IV, het uit 1590 daterende drama van Robert Greene dat wordt beschouwd als een voorloper van Shakespeares historiestukken, is opgezet als een raamvertelling met een duidelijke moraal. Regisseur Koos Terpstra, die het stuk in een eigen vertaling hier nu als eerste op de planken zet, heeft zich in zijn enscenering niet strikt door die moraal laten leiden. Wat hem naar zijn zeggen vooral interesseert is het feit dat alle figuren, dus ook de slachtoffers, bereid blijken hun privé-moraal op te geven als ze op die manier hun positie veilig kunnen stellen.

Dat geldt vooral voor Dorothea, echtgenote van de koning. Hoewel hij opdracht heeft gegeven haar uit de weg te ruimen, vergeeft ze hem uit angst haar status te verliezen. “Maak het nou goed! Leg een arm om die man!” schreeuwt ze tegen haar vader, de Engelse koning, als hij op het punt staat James te lijf te gaan. En warempel, na flink aandringen slaat hij zijn arm om de schouders van zijn vijand en ziet af van wraak.

Haar gebrek aan moreel besef heeft daarmee een definitief dieptepunt bereikt, maar gek genoeg is dat alleen met een klinische blik vast te stellen. James IV blijkt een drakerig stuk en de teloorgang van het Schotse hof die Greene schetst heeft mij dan ook volstrekt onberoerd gelaten.

Traag slepen de scènes zich voort, in weerwil van de in vlotte spreektaal gestelde dialogen en de enigszins cabareteske speelstijl. Dat spel van tien jonge acteurs die 27 rollen voor hun rekening nemen vergoedt wel iets, maar kan niet verhullen dat de karakters van Greene bijster weinig diepgang hebben en niet uit willen groeien tot boeiende persoonlijkheden. Met uitzondering misschien van Oda Spelbos (Dorothea) die bij vlagen overtuigt, slagen ze er dan ook niet in de drijfveren van hun personages bloot te leggen.

Daar komt bij dat de voorstelling een tijdlang iets stijfs heeft. Vanachter een blauw voordoek dat het zicht op de speelvloer grotendeels ontneemt komen de spelers een voor een op, doen hun zegje en verdwijnen weer. Het enige verrassende daaraan is hun kleding: de een loopt in een modern pak, de volgende draagt een leren jack en de derde heeft in de verkleedkist een ouderwetse kuitbroek gevonden.

Het is waar dat het spel meer vuur krijgt als het gordijn halverwege de voorstelling plotseling valt. Het lijkt wel of men in de nu ontstane ruimte dank zij een levendiger mise-en-scène meer mogelijkheden heeft de rollen uit te buiten. Toch mist deze voorstelling over het geheel genomen de passie en bevlogenheid die opviel in eerdere ensceneringen van Koos Terpstra. Het roept de vraag op of James IV niet beter in een vergeten la had kunnen blijven liggen.

    • Noor Hellmann