Raak

In De jaargetijden van Glazoenov wordt een krachtig beroep gedaan op het slagwerk, van triangel tot pauken, de machinekamer van het orkest. Zeven mannen op de laatste rij. Niemand zal bestrijden dat ze van doorslaggevende betekenis zijn, toch maken ze een aan hun lot overgelaten indruk.

De man bij de grote, scheefgeplaatste trom zit met zijn armen over elkaar. Soms strijkt hij even over zijn strikje. Als hij overeind komt voelt hij even aan zijn manchetten. Vervolgens neemt hij een overmaatse wattenstok ter hand en buigt hij zich naar zijn trom, zijn lichaam voegt zich naar de kromming van het instrument. Dan begint het wiegen, naar voren, naar achteren, naar voren. Net als bij een hoogspringer op het punt van zijn aanloop. En net zoals een hoogspringer zich op de lat fixeert, zo richt die man zijn ogen op de dirigent. Hij smacht gewoon naar een gebaar.

Eén daverende klap, één alles-ontladende beweging van de pols, alsof je met een opgerolde krant een vlieg probeert dood te slaan, en hij kan weer gaan zitten. Een stuk of twintig van die klappen, allemaal raak, en de jaargetijden zijn gedaan. Applaus! De man van de trom begint te lachen. Hij knijpt in de knie van de man met de bekkens en steekt zijn duim op. Dan haalt hij zijn horloge uit zijn zak. En zo doe ik het ook. Mijn stukje is af. Ik zet mijn schrijfmachine aan de kant, lees de tekst nog even na, doe mijn horloge om en ga buiten spelen.

    • Koos van Zomeren