Oliekartel geeft ongekende demonstratie van onmacht

GENEVE, 28 MAART. Met diepe spijt in hun hart kijken de olieministers van kleine producenten binnen de organisatie van olie-exporterende landen (OPEC) terug op hun besluit van augustus 1990 om de Westerse wereld niet te laten lijden onder de invasie van Koeweit door Saddam Hoessein. OPEC vierde toen de teugels van zijn kartelbeleid en liet iedere lidstaat vrij om het wegvallen van de olieproduktie van Irak en Koeweit te compenseren, nadat deze landen door het internationale embargo van de Verenigde Naties werden geïsoleerd.

Door dat besluit kwam het Westen de winter van 1990/1991 warmpjes door. Zelfs tijdens de Golfoorlog was er geen tekort op de oliemarkt. Maar vooral de landen met een kleine produktie, die sterk afhankelijk zijn van hun olie-inkomsten, moeten nu de prijs voor hun solidariteit met het Westen betalen. Het soepele OPEC-beleid is ontaard in een strijd tussen de grote broeders om behoud van het nieuw verworven marktaandeel. Dat heeft geleid tot een een bijna constante overproduktie. De aanhoudend lage olieprijs die daarvan het gevolg is, heeft de inkomsten van de twaalf lidstaten samen met een kwart verlaagd: een verlies van 100 miljoen gulden per dag vergeleken met een jaar geleden.

Maar pogingen van Indonesië en Nigeria om het produktieplafond van OPEC omlaag te brengen, teneinde de prijs weer naar een redelijk en stabiel niveau te tillen, strandden zaterdag tijdens het beraad van de olieministers in Genève jammerlijk. OPEC liet een demonstratie van onmacht zien, die in de ruim 30-jarige geschiedenis van het kartel nog nooit was vertoond. De verdeeldheid was zo groot dat uiteindelijk maar werd besloten het huidige produktieplafond van 24,52 miljoen vaten per dag te verlengen voor de rest van het jaar. Voor de partijen op de oliemarkt heeft dat één voordeel: gebruikelijk is dat het plafond elk kwartaal opnieuw wordt vastgesteld aan de hand van de te verwachten vraag; nu heeft men voor een langere periode zekerheid over het aanbod van OPEC.

Secretaris-generaal dr. Subroto had zich een beter einde van zijn ambtstermijn voorgesteld. Per 1 juli gaat deze ervaren Indonesische econoom, die de organisatie zes jaar heeft geleid, met pensioen. In zijn rapport van eind vorige week over de marktverhoudingen had hij de ministers gewaarschuwd dat de olieprijs zonder een krachtige ingreep de komende maanden tot beneden de 10 dollar per vat kan duikelen. Zaterdag stelde hij gelaten vast dat OPEC de kans heeft gemist om steun van een aantal olieproducerende landen buiten de organisatie te krijgen voor een krappere voorziening van de oliemarkt. De niet-OPEC landen Rusland, Oman, Jemen, Syrië, Egypte, Brunei, Maleisië en Colombia hadden zich bereid verklaard samen hun produktie met 250.000 vaten terug te brengen op voorwaarde dat OPEC een grotere bijdrage zou leveren.

Die kans is nu verkeken. Het kartel besloot zaterdag nog wel een beroep op alle niet-OPEC landen te doen om hun produktie op het huidige niveau te bevriezen. Maar de kansen dat dit verzoek wordt ingewilligd zijn gering, want elk olieproducerend land is er zich van bewust dat het moment naderbij komt dat Irak weer wordt toegestaan om te gaan exporteren. Een vrijwillige pas op de plaats van landen buiten OPEC zou dus slechts een beperking van hun marktaandeel op termijn betekenen, zonder dat daar iets tegenover staat. Een gemeenschappelijke produktiebeperking van OPEC- en niet-OPEC landen samen was daarentegen wel aantrekkelijk geweest, want daardoor zou de olieprijs snel omhoog zijn gegaan.

De positie van Irak blijft curieus. Sinds de invasie van Koeweit is dit land, dat qua produktiecapaciteit de tweede plaats binnen OPEC inneemt, internationaal geïsoleerd. Het mag van de Verenigde Naties alleen het buurland Jordanië van olie voorzien: 50.000 vaten per dag. Hoewel de economie van Irak na de oorlog weinig kansen kreeg, is Saddam Hoessein in staat geweest zijn olieproduktie op te voeren van 400.000 tot 720.000 vaten per dag, terwijl hij de de facto autonome Koerdische provincie in het noorden geen druppel brandstof gunt. Met die verhoging is bijna de gehele overproduktie van OPEC verklaard, aldus secretaris-generaal Subroto. Iraakse delegatieleden bij de OPEC-conferentie hulden zich in geheimzinnigheid; ze gaven geen antwoord op de vraag waar hun olie precies blijft. De smokkel naar grensgebieden in onder andere Turkije, waarvoor al drie jaar lang aanwijzingen bestaan, moet aanzienlijk zijn toegenomen.

Irak trekt zich niets aan van OPEC-besluiten en wil, zodra de VN dat toestaan, vrijelijk exporteren tot het quotum van 2,3 miljoen vaten per dag dat vóór augustus 1990 gold. Als het VN-embargo op de olie-export wordt opgeheven worden de grote OPEC-producenten gedwongen weer een fors deel van hun marktaandeel aan hun vijand Saddam Hoessein af te staan, op straffe van een ineenstorting van de olieprijs. Dr. Subroto zal dat gevecht niet meer meemaken. Hij wordt in juli waarschijnlijk opgevolgd door de vroegere olieminister van Venezuela, dr. Alirio Parra.