Liefdesrozen

Ik heb rozen gekocht. Donkerrode rozen. Toen ik ermee thuiskwam deed ik precies wat de mevrouw van de bloemenstal me had opgedragen: schuin afsnijden; lauwwarm water en geen doornen of blaadjes in de vaas.

Mocht er na verloop van een paar uur ééntje zijn kop laten hangen, ogenblikkelijk de hele bos in een natte krant en met wat suiker in het water het hele spul op het balkon gezet. Daar hebben ze nu ook al twee uur gestaan en ik heb ze weer uitgepakt: een en al geknik en geslap. Dat komt nooit meer goed.

Iedereen vond Noortje ontzettend mooi, ik ook, maar desondanks vond ik dat ze een beetje op een konijn leek. Dat was niet helemaal bezijden de waarheid. Het lag aan haar net iets te grote tanden. Wat voor in de mond, een tikkeltje over haar onderlip. Ze had ook een konijnig bobbelneusje. Dat alles maakte haar voor mij alleen nog maar aantrekkelijker. Ze studeerde medicijnen maar als je haar nagels zag kwam al gauw de twijfel of dat wel een goeie keus was geweest. Ik zag haar eerder in de Hortus wroeten dan iemands blindedarm eruit halen. We waren allebei een jaar of achttien. Ze woonde bij mij in de buurt en ik dacht als ik haar tegenkwam en ze me toelachte, dat er iets uitnodigends in school. Maar iedereen die achter haar aanliep dacht dat natuurlijk. Ze kwam uit Indië en was nog niet al te lang geleden vers van de Van Oldenbarnevelt gestapt. Ze was een dochter van een Dajakvorst. Dat kon niet anders. Trots en fier. Niet uit de hoogte, god nee, met zo'n natuurlijke soevereiniteit. En van zo ver. Indië. Wat een fantasieën ik daarover had. Schoonheid vol geheimzinnigheid. Nachtgeluiden. Nog altijd dank ik de Voorzienigheid dat ze naar ons zijn toegekomen uit de verre tropen. Naar het boerenland van mijn jeugd. Dat ze zo gelaten onze plompe aardappelmoeheid hebben getrotseerd.

Als ik Noortje zag, zag ik palmen. Ik zag prauwen op spiegelglad water met een bloedrode maan erboven. Ik zag krokodillen geruisloos in de kali glijden. En mezelf natuurlijk, met Noortje, samen op een karbouw. Dicht tegen me aan. Blote armen. Geurig, innig zwart haar. De sarong ver boven de knieën opgetrokken. (Bespottelijke dromerij, maar gelukkig nog niet zo erg driedimensionaal als van een vriendje dat mij bekende dat, wanneer hij haar in de verte in de richting van zijn ouderlijk huis zag aankomen, hij vlug naar zijn kamertje rende om naar haar te gluren en fluks iets onbehoorlijks met zichzelf te doen.)

Op een zomeravond kwam ik haar tegen. Een zomeravond die de tropen tartte. Zo zwoel was die avond dat de warmte van overdag overal aan was blijven kleven. Aan de stoeptegels. Aan het asfalt. Aan de bomen, aan mezelf en natuurlijk aan Noortje die me geheel alleen, o Gloria, in een park nota bene, tegemoetkwam. Een brede middenlaan met kastanjes. Witte bollantaarns, links en rechts banken en in de verte een halfverlichte vijver met een imitatiewaterval, omgeven door rozestruiken en palmbomen in sierpotten: het kon allemaal niet mooier. Hoe bespottelijk het misschien ook klinkt, ik sidderde, en ik voel het nu nog ergens ver weg. (Alhoewel ik nog steeds niet weet hoe dat gesidder precies in zijn werk gaat.)

“Hallo, Noortje, hoe gaat het?” zei ik. Bijna had ik haar een hand gegeven. Even later zaten we bij de vijver zo dicht tegen elkaar, dat ik door mijn verschoten kakihemd haar arm voelde. Noortje zei niks en ik zei niks. Er gebeurde gewoon niks. Terwijl we alles mee hadden met die nepwaterval en die sierpotten. Mijn hand, bijvoorbeeld, was dichter bij die van haar dan welke hand ter wereld ook. Toch leek hij er oneindig ver vandaan. Wat een gehannes. Natuurlijk wilde ik zeggen hoe gek ik op haar was. Verliefd. Verliefd. Dat ik vond dat ze op een konijntje leek en haar daarom nog honderdmiljoen keer mooier vond. Dat ik met haar op een karbouw naar Indië zou willen vliegen om neer te strijken aan de kali-oever bij het paleis van haar prinselijke en koninklijke vader en moeder. Tussen al de flamingo's en opgedoken parels.

“Dat zijn liefdesrozen”, zei Noortje. “Zo noemde mijn vader in Indië die rozen altijd als hij er mee thuiskwam en ze aan mij moeder gaf. Liefdesrozen. Nu komt hij alleen met bloemen en dan is hij altijd dronken. Zullen we opstappen jongen? Ik begin het koud te krijgen.”

    • Jean-Paul Franssens